Daniël 3:1-18
Daniël 3 laat zich lezen als een spannend verhaal en dat is het ook. Drie mannen nemen het op, niet uit vrije wil, maar gedwongen tegen de wil van de koning. Wat op onze sympathie kan rekenen, gebeurt. De underdog wint. De drie vrienden, gesteund door hun God, Die zich machtiger betoont dan Nebukadnessar, overleven.
Zo zie je maar – dat kan de trotse conclusie zijn van dit verhaal – onze God is toch de sterkste. Hij zal ons uiteindelijk de overwinning schenken.
Die conclusie is op zich niet onwaar, maar tegelijk waarschuwt de tekst ons om al te zelfverzekerd te zijn. De redding van de drie mannen is geen vanzelfsprekendheid. Er is geen sprake van, dat ze van te voren al weten, dat alles wel goed komt.
Als dat het geval zou zijn, is alle spanning eraf. Dan is het verhaal ook niet meer menselijk. Dan wordt van ons een heldendom gevraagd, dat we helemaal niet kunnen opbrengen.
De mannen om wie het hier gaat, zijn dan ook helemaal geen helden, maar gelovigen, waarvan wij in onze situatie kunnen leren.
De kern van hun geloofshouding wordt in de verzen 16 t.m. 18 onder woorden gebracht. De God die wij vereren, kan ons redden, maar – en dan komt het opmerkelijke – ook al redt Hij ons niet, dan zullen we ons nog niet buigen voor uw goden of uw macht. Op deze op het eerste gehoor merkwaardige uitspraak: ook al redt Hij ons niet, bezinnen we ons vanmorgen.
Sadrach, Mesach en Abednego, de drie vrienden van Daniël, zijn opgeklommen tot hoge functies in het Babylonische Rijk. Ze besturen de provincie Babel. Ze zijn opgenomen in hun Babylonische omgeving. In niets onderscheiden zij zich nog van hun omgeving. Dat wordt ook uitgedrukt door hun naamswisseling. Ze dragen Babylonische namen. Ze zijn, om met het onze woorden te zeggen, goed geïntegreerde vreemdelingen, niets op aan te merken, trouw aan Nebukadnessar. Dat zij van oorsprong geen Babyloniers zijn, weet niemand meer.
Dan verandert er iets. Het hoofdstuk begint ermee. Op een dag gaf koning Nebukadnessar
opdracht een gouden beeld te maken. Zo begint het altijd weer. De macht van de staat, die er is voor het heil van de burgers, verandert langzaam maar zeker in een macht, waarvoor burgers moeten buigen. De staat is er niet voor de burgers, maar de burgers zijn er dan voor de staat. Het is een sluipend proces, maar er is een dag, dat de omslag opeens zichtbaar is. Dan is er geen kritiek meer mogelijk, dan wordt er gehoorzaamheid gevraagd.
Het verrassende, of misschien wel het meest pijnlijke is, dat die gehoorzaamheid het ook gegeven wordt, niet door enkelen, maar door allen. Alle volken en natiën knielen als de muziek klinkt.
Laten we daar maar niet al te zeer op neerkijken. Het is een sluipend proces. Wie weet buigen ook wij allang voor de muziek van de machtigen! Velen zeggen dat dat zo is, de macht van het kapitaal, de rijkdom, de economie. Misschien horen ook wij wel bij de knielende volken. Zij knielen niet omdat het moet, maar omdat het zo volkomen vanzelfsprekend is. Hoe zit het nu met die goed geïntegreerde vreemdelingen, die hoge bestuurlijke functies vervullen? Zij knielen niet en worden als zo vaak verraden.
Dat kan de koning niet dulden. Elke macht is kwetsbaar door het ongeloof dat de macht ontmaskert. De koning dwingt hen zich aan te passen.
U voelt wel wat een enorme spanning dat voor de drie vrienden teweeg brengt. De koning met zijn macht en de aan zijn voeten liggende wereld en dan zij drieën. Tot op dat moment hebben zij van harte meegedaan, maakten zij deel uit van het staatsapparaat. Waarom niet nog een klein stapje verder? Waarom niet?
Precies op dat moment herinneren zij zich hun oorsprong. Zij zijn wel in Babel, maar niet van Babel, wel in de wereld maar niet van wereld. Wie zij zijn wordt, in hun oorspronkelijke namen openbaar. Chananja, God is genadig, Misaël, wie is wat God is en Azarja, de Heer helpt. Dat is wie zij werkelijk zijn.
Op grond daarvan antwoorden zij op dit beslissende moment Nebukadnessar. Deze God zal ons redden. Hij zal sterker zijn dan de macht die u etaleert. Daarop beroepen zij zich. Zij verzetten zich niet op grond van hun eigen kennis en kunnen, maar omdat precies op dat moment de kennis Gods in hen ontwaakt; de kennis dat zij van Hem zijn.
Die kennis onderscheidt hen van alle anderen. Hun vertrouwen ligt niet bij de uit zijn kluiten gewassen staatsmacht, maar bij de God Die zal redden.
Aan deze in onze oren van een geweldige geloofsmoed getuigende woorden, voegen zij dan die opmerkelijk tweede zin toe: ook al redt Hij ons niet, dan nog buigen wij voor u niet.
Twijfelen ze dan toch aan God? Dat is een uitleg die niet bevredigt. Wie twijfelt aan God gelooft niet. Wie twijfelt, zoekt zijn houvast elders en buigt voor de macht van de koning.
Nee, deze toevoeging is juist uitdrukking van hun geloof. Door deze toevoeging leggen zij, om met de Heidelbergse Catechismus te spreken, hun leven in leven en sterven in de handen van God.
Het is geen automatisme dat God redt, dat Hij Zijn reddende daden laat zien. Zijn redding is en blijft voor ons genade.
Het kan gebeuren dat wij in een tijd leven waarin we niets van Gods reddende werk in onze wereld of in ons eigen leven zichtbaar wordt. De macht van de koning lijkt onoverwinnelijk. Wie zich daartegen verzet, gaat ten onder, zoals ook de drie vrienden ten onder dreigen te gaan. Hoe kunnen wij zelf niet in onze tijd verzuchten, dat het koninkrijk Gods zo ver weg lijkt. Voor velen is dat een reden het geloof de rug toe te keren. God doet toch niets. Het is voor de drie vrienden niet anders.
Tegelijk weten ze een ding zeker. Ook al zien zij de redding niet, dat betekent nog niet, dat God niet zal redden. Er is geen enkele reden zich aan de macht van de koning te onderwerpen, om wereldgelijkvorm te worden.
Dat is de kern van hun geloof, waarin de mannen ons voorgaan. Dat is het geloof dat God genadig is. Er is niemand die gelijk aan Hem is. Deze Heer helpt.
In dat vertrouwen staan zij, getrouw aan hun namen, Nebukadnessar te woord, niet geïmponeerd door zijn macht, in welks licht de glorie van God lijkt te verbleken. Ook al zullen zij ten onder gaan, er is geen reden aan de redding van God te twijfelen.
Zo gaan zij ons voor. Als gelovigen hebben we weinig in handen. De redding is niet vanzelfsprekend. Het enige dat ons op de been houdt – letterlijk zonder te knielen voor de macht – is het vertrouwen dat Hij getrouw is en zal redden.
We mogen er om bidden dat dat geloof bij ons gewekt wordt op het moment dat het er op aan komt. We zijn wel in de wereld, maar niet van de wereld. Dat we dan de moed hebben de macht, die zich verheft te weerstaan.
Amen
(Open Hofkerk/Julianakerk, 9 juli 2006, Heilig Avondmaal).
