Website At Polhuis


Daniël 9

Het boek Daniël is een lastig boek, maar als je hoofdstuk 9 leest, weet je waarom het in de canon, in de bijbel staat.
Hoofdstuk 9 is een gebed van een ongelofelijke schoonheid; een parel in de bijbel heeft iemand erover gezegd. Dat kan ik volledig beamen. Over dit gedeelte moet je eigenlijk niet preken. Dit gedeelte moet je met elkaar woord voor woord lezen.

Hoofdstuk 9 is één lang gebed, inclusief de verhoring van dat gebed. Het is een gebed, dat voor ons bemoedigend en troostend is, maar ook een voorbeeld hoe er gebeden moet worden. Als er gebeden wordt, dan wordt er zo gebeden. Als er over verhoring gesproken wordt, dan wordt er zo over verhoring gesproken.

Waar het in de bijbel omgaat, komt hier in geconcentreerde vorm aan de orde: de mens die voor God staat. Dan wordt duidelijk wie wij voor God zijn, maar dan wordt ook duidelijk wie God voor ons is.

Op drie dingen wil ik u naar aanleiding van dit gedeelte wijzen. Op de verootmoediging, op de redding en op het uitzicht.

Het gedeelte zet in met ene korte historische aanwijzing. De Babylonische overheersing heeft plaats gemaakt voor de Meden en de Perzen. Zij zijn de nieuwe heersers. Deze machtswisseling heeft er evenwel niet toegeleid, dat de ballingschap opgeheven is. De puinhopen van Jeruzalem zijn nog niet verdwenen. Hoe lang nog, dat is de vraag van de ballingen.

Dat is een vraag die wij in alle bescheidenheid herkennen kunnen. Geldt immers ook voor ons niet, dat we een nieuw Jeruzalem verwachten waarin de tranen afgewist zijn en de dood er niet meer is?

Wie om zich heen kijkt, weet wel beter. Dat visioen gaat dagelijks aan gruzelementen. Er is geen begin zichtbaar, dat het hemels Jeruzalem gebouwd wordt.

We staan er niet dagelijks bij stil. Echt ballingen voelen we ons niet. We voelen ons wel thuis in onze wereld. Dat deed Daniël ook wel. Niet voor niets komt in het boek telkens terug dat hij tot hoge posities is opgeklommen, maar vergeten is hij niet. Hij kent zijn profeten. Hij weet van Jeremia en de belofte van zijn profetie. Hij weet dat Jeruzalem herbouwd zal worden.

Al worden ook wij er ’s zondags aan herinnerd. We leven wel in de wereld, maar we zijn niet van de wereld. We weten van Zijn rijk dat komen gaat.

Die kennis drijft Daniël tot het gebed. Zich Jeruzalem herinnerend, de puinhopen én de belofte buigt hij zich voor God.

Het is het gebed van de ootmoedige. Daniël gaat diep door het stof. De ballingschap, de verwoesting van Jeruzalem, dat alles te terecht. U staat in Uw recht, o God, bij ons is er schaamte vanwege onze ontrouw.

In alles neemt Daniël de schuld op zich. We hebben naar U niet geluisterd. Uw oordeel is terecht. Uw verstoting, Uw afkeer, de ballingschap, het verspreid worden over de hele aarde, dat alles wordt als terechte reactie van Godswege over de afval van het volk erkend.

Met zo’n gebed zijn we niet echt vertrouwd. Hoe vaak gebeurt het niet, dat we schuld van wat er gebeurt bij een ander leggen. Ik kan er niets aan doen, dat lag aan de ander, of aan de omstandigheden die ik niet in de hand had. Ik ben slachtoffer, eerder dan dader.

Daniël doet dat niet. Hij beroept zich zelf als dader. Ik ben het Heer.

Is dat omdat Daniël zoveel groter is dan wij? Nee, dat is omdat hij zijn schuld uitspreekt voor de Here God.

Waarom manoeuvreren wij ons altijd weer in de rol van slachtoffer? Dat is toch, omdat we weten dat over de dader het onheil uitbreekt; de wraak en de vergelding. Met het slachtoffer hebben we medelijden, met de dader rekenen we af.

Naast de verootmoediging wil ik u wijzen op de redding in dit gebed van Daniël. Hij spreekt zijn verootmoediging uit voor de Here God. Hij belijdt voor Hem staande, dat hij dader is. Dat kan hij uitspreken, omdat hij weet, dat deze God rechtvaardig is en Zijn belofte houdt.

Verootmoediging heeft in dit gebed, zoals in heel de bijbel, altijd twee kanten. Aan de ene kant spreken we uit, dat wij voor de Here God geen grond hebben om op te staan. Tegelijk spreken we daarmee uit, dat we voor ons bestaan geheel en al van Hem, van de Here God afhankelijk zijn. Niet wij Heer hebben ons lot in onze handen, maar U Heer. Niet wij Heer maken onze toekomst, maar U Heer.

Dat is het gebed, dat wij in onze dagen in het groot en in het klein in ons eigen leven wellicht opnieuw te leren hebben. Voor U staande belijd ik, dat ik geen slachtoffer, maar dader ben, aansprakelijk voor de puinhoop van Jeruzalem, dat de vrede maar niet komt.

Dit gebed gaat diep. Het raakt ons tot in kern van ons bestaan. Zelfs de suggestie alsof we beter kunnen, moet verworpen worden. Wij zijn schuldig. Het oordeel van U over ons is rechtvaardig.

In dit gebed gaat Daniël ons voor. Verootmoediging, maar tegelijk is er redding, juist in deze verootmoediging. Dit gebed wordt uitgesproken tot de Here God, die Zijn belofte houdt. Wetend dat de vervulling van die belofte niet van ons komt, bidden wij tot de Heer, dat Hij zelf Zijn belofte vervuld.

Dat is de andere kant van de verootmoediging. De Heer tot wie gebeden wordt, is geen buitenstaander, die oog om oog vergeldt. Nee, Hij is de Barmhartige, de Trouwe. Hij is de Rechtvaardige. Daarop doet Daniël een beroep. Niet ik Heer, maar vervul Zelf Uw belofte. Wees ons genadig. Niet omdat wij rechtvaardig zouden hebben gehandeld leggen wij onze smeekbeden aan U voor, maar omdat Uw barmhartigheid groot is. (vers 18B).

Dat is het verootmoedigingsgebed van de gemeente, waarin Daniël ons in dit gedeelte op indrukwekkende wijze voorgaat. Tot het leren van dit gebed zijn wij als gemeente geroepen.

Dan tot slot het uitzicht. Terwijl Daniël nog bidt, wordt hij aangesproken door Gabriël, de bode, die we ook uit het nieuwe testament kennen: de bode die de komst van de Heer aankondigt.

Ook nu kondigt hij de verhoring van het gebed aan. De Heer zal Zijn rijk doen aanbreken. Zo eindigt het hoofdstuk: de verwoesting zal er zijn, totdat, ja, totdat het aangekondigde einde komt.

Die belofte gold Daniël, maar ook ons. Het gebed van verootmoediging wordt door de Heer gehoord. Hij zal zijn Die Hij is. Hij voltooit wat Hij begon. Dat teken is aan ons gegeven. Daaraan mogen we ons vasthouden.

Dat teken heeft Hij in onze wereld in Jezus Christus opgericht.

In Hem zijn de puinhopen van Jeruzalem opgeruimd. In Hem heeft de Here God Zijn tempel in onze wereld opgericht, de plaats waar Hij temidden van ons woont. Ziende op Hem, weten we dat ons gebed verhoord wordt, ja verhoord is. Aan de verwoestende kracht komt een eind.

Amen.

(Pendrecht/Heijplaat, 6 augustus 2006).