Daniël 12:10b
Zeker in tijden van onrust is de verleiding groot om gebeurtenissen in deze teksten terug te lezen. De teksten worden dan gebruikt als een soort receptenboekje waarin precies aangegeven staat wat er gebeurt en wanneer wat zal gebeuren. In wat er gebeurt zien we dan God optreden, Die zoals Michaël zegt, opstaat om het volk Israël te redden en allen die daarbij willen horen. De onrust duidt op het aanbreken van het eind der tijden.
Juist in deze dagen ligt die verbinding voor de hand. Ik had niet kunnen bevroeden, toen ik besloot om deze zomer uit het boek Daniël te preken, dat de actuele gebeurtenissen in het Midden-Oosten de teksten lijken uit te leggen.
Toch zou ik willen waarschuwen voor een al te directe toepassing van deze apocalyptische teksten op de huidige situatie. Het is niet zo eenvoudig het huidige Israël met het Israël van Daniël te identificeren. Het is niet zo eenvoudig om in wat er in onze dagen in het Midden-Oosten gebeurt direct de hand van God te zien. Voor die terughoudendheid geeft de tekst uit Daniël zelf ook alle aanleiding. Ik verwijs daarvoor naar de tekst die ik vanmorgen als uitgangspunt van de prediking wil nemen; vers 10b. Geen van de wettelozen zal het begrijpen, maar de verlichten zullen het wel begrijpen.
Geen van de wettelozen! Tot onze verassing hoort ook Daniël daarbij. Even daarvoor antwoordde hij op de openbaring, dat hij wel hoorde maar hij begreep het niet (vers 8).
Als Daniël al niet begrijpt, wie zijn wij dan? Begrijpen wat er gebeurt, is niet zomaar iets vanzelfsprekends. Alleen de verlichten zullen begrijpen.
Op die tekst zullen wij vanmorgen ingaan: wie zijn de wettelozen? Wat begrijpen, doorzien zij niet? Wie zijn de verlichten? Wat begrijpen, doorzien zij wel?
Over de wettelozen is al iets gezegd. Ook Daniël hoort erbij. Het kenmerk van de wettelozen is dus dat zij niet begrijpen.
In de Statenvertaling en in de NBG. wordt hier gesproken over goddelozen. De goddelozen begrijpen niet en handelen goddeloos.
Hoe het precies vertaalt moet worden, laat ik maar in het midden. Wat bedoeld wordt, is wel duidelijk. Het zijn de mensen die de wet niet houden, de wet in het algemeen, maar vooral de wet des Heren. Zij leven zonder God, zijn goddeloos, God – loos.
Het feit dat ook Daniël ertoe behoort moet ons voorzichtig maken om al te snel naar anderen te kijken. Zij die niet geloven zijn de wettelozen, de goddelozen, de slechten. Zij, die anderen, niet wij worden hier bedoeld. Als we dat al te snel zeggen, maken we ons te gemakkelijk van deze tekst af.
Kenmerk van de goddelozen is dat zij niet begrijpen. Zij staan erbij, maar zien het niet. Zij begrijpen niet wat er aan de hand is. Wat begrijpen ze dan niet?
Het boek speelt zich af in roerige tijden. Daar hebben we het de afgelopen keren telkens over gehad. Het ene wereldrijk wisselt het andere af en het kleine volkje Israël in de ballingschap, dreigt in dat geweld ten onder te gaan.
Het is op zich niet uniek. Er zijn wel meer volkeren in de geschiedenis verdwenen, maar wat hier in het geding is, is de belofte van de Heer. De belofte dat er vrede zal zijn, dat het volk gered zal worden, dat Jeruzalem een plaats van vrede en recht zal zijn. Wat in het geding is, is dat in het geweld van die dagen God onzichtbaar is. Hij is de Heer der geschiedenis, maar waaruit blijkt dat in datgene wat er gebeurt?
Dat wordt niet gezien. Dat is het onbegrip van Daniël. Hoe bewerkt God zijn redding in wat er gebeurt? Zal die redding er wel zijn? We horen van het nieuwe Jeruzalem, maar begrijpen niet hoe en waar dat zal aanbreken. We zien er niets van.
Zó kunnen we ons voorstellen dat Daniël niet begrijpt. Daarin staat hij naast ons. We horen wel de verkondiging van de toekomst van de Heer, maar zien alleen maar wat er in de wereld gebeurt. En dat lijkt bepaald niet op het openbaar worden van zijn toekomst.
Het niet begrijpen hoort bij de wettelozen en goddelozen. Dat kunnen we ook nog anders zeggen. Dit niet begrijpen hoort bij ons zoals we zijn. Vanuit onszelf zien wij de geschiedenis Gods niet en kunnen die ook niet zien. Niemand van ons uitgezonderd. Vanuit onszelf zien wij als blinden in de nacht.
Wie wel zien, zijn de verlichten. Zij zien in wat er gebeurt de geschiedenis Gods voltrekken. Wie zijn dan de verlichten?
In de Statenvertaling en de NBG worden ze de verstandigen genoemd. Dat zijn de mensen die inzicht ontvangen hebben, inzicht in Gods waarheid en verbond en daarnaar hun wegen richten. De verlichten zien in wat er gebeurt de hand Gods. De verlichten zullen stralen als de sterren (vers 3).
Wie zijn dat? In de tekst wordt nog iets belangrijks over de verlichten gezegd. Zij zullen zich laten reinigen, zuiveren en louteren. Het accent valt op het werkwoord “laten”. Niet vanuit zichzelf zijn zij verstandig of verlicht. Het moet aan hen gebeuren. Zij zijn verstandig, omdat zij zich laten reinigen en louteren.
Een inzicht in wat er gebeurt, leiden zij niet af vanuit zichzelf. Als het hen niet gegeven wordt, weten zij ook zij niets, zijn zij net zo blind als de goddelozen, wettelozen.
Er is geen sprake van dat er een scheiding gemaakt wordt tussen mensen; tussen enerzijds de goddelozen en anderzijds de verlichten. Zo’n onderscheid zou vreselijk en onbarmhartig zijn.
Nee, ieder van ons, niemand uitgezonderd is goddeloos, wetteloos, onverstandig. Maar tegelijk geldt voor ieder van ons ook dat hij/zij gereinigd, gelouterd kan worden, kan behoren tot de verlichten die glanzen en doorzien wat er gebeurt.
Dat geldt voor ons, voor u en voor mij. Vanuit onszelf zien wij niet, maar aangeraakt door de heilige geest, gaan onze ogen open en zien we wat we vanuit onszelf niet zien. Vanuit onszelf zien we alleen de feiten, maar aangeraakt door Hem zien we in de feiten de grote daden des Heren.
Wat zien wij dan? Hier aarzel ik om zomaar in de feiten de hand van de Heer te zien. Daniël zag het einde van de ballingschap en de redding van het volk. Ik zou het niet zomaar aan de gebeurtenissen van onze tijd durven te verbinden. Toch moet er iets gezegd worden. Wat zien we als onze ogen geopend worden? Als we ons laten reinigen?
Als onze ogen opengaan, zien we in een mens, zien we in Jezus Christus de Here God in onze wereld optreden. In Hem is Hij vlees geworden. Dat is geen triomftocht geworden. Zijn rijk is in Hem niet voor alle ogen stralend opgericht. Zijn weg wordt gekenmerkt door lijden en loopt uit op de dood.
Daarin horen we de profetie van Michaël tot Daniël: het is een tijd van verdrukking. Het uitzicht lijkt verdwenen, aan het eind de dood aan het kruis. Gods weg loopt ten einde, zo zullen de goddelozen, de wettelozen zeggen.
Maar dan, zo wordt ons gemeld, Hij is opgestaan. Hij houdt Zijn belofte. De mens zal stralen als het fonkelende hemelgewelf. Dat is de toekomst. Daarheen zijn wij op weg. Wiens verstand verlicht is, ziet dat.
Dat wordt tot Daniël en tot ons gezegd. Wat jullie vanuit jezelf zien, is weinig hoopvol, maar verlicht door Zijn geest licht op dat Hij regeert en zal overwinnen. Dát zal het einde zijn.
Daarmee sluit het boek Daniël af, met een ontroerende en bemoedigende tekst.
Deze overwinning van God, die in Jezus Christus aan ons geopenbaard wordt; ja het zal gebeuren dat je die in je eigen leven niet zult zien. Je zult te ruste gaan.
Is het dan toch niet waar, dat Hij regeert? Aan het eind van de dagen zal je opstaan om je bestemming te zien. Daarmee sluit Daniël af.
Met die toekomst voor ogen mogen we hoopvol leven en sterven. We zullen onze bestemming zien.
Amen.
(Open Hofkerk/Julianakerk, 20 augustus 2006).
