Website At Polhuis


Hosea 2:4-25

Het is een onthutsend beeld, dat Hosea ons in de eerste hoofdstukken tekent. In niet mis te verstane woorden wordt de ontrouw van Gomer, de vrouw van Hosea beschreven.

Dat is te neutraal gezegd. Het hoofdstuk begint met een emotionele, indringende klacht van de bedrogen echtgenoot. Het is Hosea die spreekt, maar het kan ook de Heer zijn. Het is de bittere, hartverscheurende klacht, die alleen kan ontstaan waar diepe liefde geweest en gevoeld is. In elk woord van de klacht, in elke uitroep van de verwerping hoor je de liefde van Hosea die gekwetst is. Aan de intimiteit van de klacht is te horen hoe intens zijn liefde geweest is, ja hoe intens zijn liefde nog is.

Wie zelf een scheiding meegemaakt heeft, weet hoe pijnlijk en verdrietig dat is. Hier in de tekst is het Hosea die zijn pijn en verdriet uit. Hij is bedrogen en verlaten door zijn vrouw, maar voor het omgekeerde geldt hetzelfde. De klacht van Hosea kan ook verstaan worden door de vrouw die bedrogen en verlaten wordt.

Waar de liefde gekwetst wordt, komen klachten los, die op wraak zinnen, ja zelfs op vernietiging. Zo destructief kan de liefde zijn die gekwetst wordt. Je zou in zo’n situatie wel van alles willen, maar de liefde die zich niet meer positief kan uiten, richt zich tegen degene die je liefhebt, ja liefgehad hebt. Niet voor niets eindigen veel scheidingen in bittere vechtpartijen.

In de eerste verzen van het tweede hoofdstuk wordt het in al zijn felheid realistisch weergegeven. Gomer, zijn vrouw, wordt door Hosea aangeklaagd. Als een hoer wordt zij getekend; omkomen van de dorst moet zij. Hij zou haar willen dwingen terug te keren. Verwoesten zal hij wat hij haar eens geschonken heeft.

Het fel realistische beeld van de ontrouw is een profetische weerspiegeling van de verhouding tussen de Here God en Zijn volk. Hosea leeft als profeet het volk voor hoe die verhouding eruit ziet. Zijn huwelijk is een symbool van de relatie van een volk met zijn God, met zijn God, zijn Heer, die het uit de slavernij, uit het land van de angst uitgeleid heeft.

Het verbond dat Hij met zijn volk gesloten heeft, wordt door het volk met voeten getreden. De naam van de Heer is niet meer op zijn lippen, maar die van Baäl.

De reactie van de Heer is gelijk aan die van Hosea. In de namen van de drie kinderen, die bij Gomer verwekt worden, kan dit samengevat worden: Jizreël, de plaats waar het gericht, het oordeel uitgesproken kan worden, Lo-Ruchama, er is geen sprake meer van ontferming, Lo-Ammi, het volk is niet langer mijn volk.

Zo staat het ervoor met het volk. Even hartstochtelijk als bij Hosea klinkt hier bij de Here God: nee, jij niet meer!

Dan komt onvermijdelijk de vraag op als we dit lezen en horen: en wij? Hoe staan wij ervoor, als individu, maar ook als gemeente? Hoe zit het met onze trouw aan de Heer, Die ons roept en bevrijdt?

Ik ga daar vanaf de kansel geen algemene oordelen over vellen. Ieder van ons moet in zijn eigen binnenkamer die vragen maar beantwoorden. Wel kan er iets gezegd worden over de gemeente of breder de kerk in onze dagen.

Is er voor ons reden te veronderstellen, dat het oordeel van de Heer over ons anders zal zijn? Zou in onze dagen de klacht veel anders zijn? Zou het niet zo zijn dat de Heer ook over ons uitspreekt: Lo-Ruchama, geen ontferming, Lo-Ammi, niet mijn volk. Zijn het ook niet de namen die wij dragen?

Moeten we niet nog een stap verder gaan en zeggen dat we als kerk belijden, dat we de Heer niet kennen; dat dat juist het kenmerk van de kerk is, waarin zij zich van de wereld onderscheidt. We kennen de Heer niet, ook al zouden we het wel willen. Waarom zou ons handelen voor de Heer niet onverdraaglijk zijn?

Maar genoeg hier over. Het moet gezegd worden, maar niet onze ontrouw is het thema van het boek Hosea. In het verbond dat Hij met Israël sluit, is en blijft Hij de hoofdrol spelen. Niet onze ontrouw, maar Zijn trouw, daar gaat het om. Die wordt ons verkondigd. Dat is het thema van de profetie van Hosea.

Vanuit onszelf kunnen wij de pijn en de woede van Hosea en van de Heer meevoelen: het verdriet over de ontrouw. Dat wordt ons in de profetie van Hosea tastbaar en voelbaar gemaakt. Dat moet ons te denken geven.

In deze woede van de bedrogen echtgenoot, die erop uit is kapot te maken wat hij eens heeft liefgehad, gaat altijd, zo zei ik aan het begin, de liefde schuil, de liefde die gekwetst is. In dat opzicht kunnen we met Hosea meevoelen, maar dan voltrekt zich in de tekst opeens een wending die voor ons, naar ons gevoel onbegrijpelijk is.

Ik zal haar meelokken naar de woestijn en dan tot haar hart spreken (vers 16). In de verzen die dan volgen krijgt de liefde niet langer de vorm van de vernietigende woede, maar is zij weer volop als liefde aanwezig.

Dat is de liefde voor de overspelige. Die verzen zijn van een ongeëvenaarde schoonheid en loyaliteit. Wat hier beschreven wordt, kan niemand van ons. De ontrouw wordt niet tot een bekentenis gedreven, zij moet niet eerst om vergiffenis smeken, diep door het stof gaan om daarna eventueel weer aanvaardt te worden. Dat alles blijft achterwege.

Het initiatief ligt geheel en al bij de Heer zelf. Hij lokt haar weg uit de wereld, waarin zij ontrouw is om dan haar zijn liefde te verklaren.

Begrijpt u goed, die liefde geldt de overspelige de kinderen blijven Lo-Ruchama en Lo-Ammi heten. Vanuit zichzelf verdienen zij dat oordeel en blijven zij dat oordeel ook verdienen, maar over hen die geen ontferming verdient, ontfermt Hij zich en over hen die niet zijn volk is, roept Hij uit: mijn volk.

Zo is dit eerste gedeelte van Hosea over de ontferming, over de liefde van de Heer voor Zijn volk, veel meer dan een klaagzang over de ontrouw van zijn volk. Die klaagzang is er, maar wordt door de lofzang overstemd.

Die lofzang klinkt tot op de dag van vandaag door. Dat is ook de lofzang, waarvan wij leven, die de Heer in onze mond legt. Het is de lofzang van Zijn liefde die vergeeft en ontfermt.

Hij ontfermt zich over ons. Hij ontfermt Zich over u, ja over u en mij, die in Zijn ogen ontrouw zijn en het oordeel verdienen. Niet voor even, maar voor eeuwig, altijd weer opnieuw. Als kerk kunnen we alleen maar de juistheid van Zijn oordeel bevestigen en belijden: Lo-Ruchama, geen ontferming met ons, Lo-Ammi niet Zijn volk.

Dan klinkt dit ene woordje dat in onze taal in onze dagen zo’n negatieve klank heeft, maar in dit verband prachtig is: verlokken.

De Here God verlokt ons, lokt ons, ja verleidt ons. Hij commandeert niet. Hij is niet de superieure, waaraan je wel gehoorzamen moet, niet de machtige waaraan je je niet onttrekken kunt.

Nee, als een minnaar probeert Hij ons, de ontrouwe te lokken, weg uit de wereld waarin onze levensdrift altijd weer het laatste woord heeft.

Hij lokt ons en probeert ons te verleiden met Hem mee te gaan, ja ons, u en mij, die vanuit onszelf niet naar Hem vragen.

Wat zou er meer voor de hand liggen dan dat Hij, zich van ons afkeert, teleurgesteld en wrokkig. Dat doet Hij niet, dat kan Hij niet omdat Hij ons ten diepste bemint. Daarom kan Hij ons niet loslaten en gaat het Hem aan Zijn hart als wij vreemdgaan.

Daarom zal Hij ons lokken om met Hem mee te gaan opdat Hij tot ons hart spreekt. Zo wordt ons God verkondigd, als de God Die ons in Zijn liefde afwijst, maar ons tegelijkertijd vasthoudt.

Hoort dan de stem van deze God, vol van ontferming en vergeving en laat u lokken.

Amen.
Julianakapel en Open Hofkerk, 8 juli 2007.