Hosea 11:9
Het centrale beeld in de profetie van Hosea is zijn huwelijk met Gomer. Een vreemd huwelijk is het. Gomer is de overspelige, maar Hosea blijft trouw. Dat hoorden we de eerste keer. Hij verlaat haar niet maar lokt haar mee naar de woestijn om haar voor zich te winnen. De tweede keer hoorden we hoe diep het verval, de ontrouw van Gomer is. Die ontrouw staat voor de
afval van het volk Israel van de Here God. Die afval is totaal en volledig.
In het gedeelte dat we vandaag gelezen hebben ligt alle nadruk op de liefde van Hosea, die als toonbeeld geldt van de liefde Gods voor zijn volk. In dit gedeelte wordt die liefde beschreven, ja beter bezongen. Dit gedeelte wordt ook wel het hooglied van de liefde Gods van Israel genoemd. Het gaat vanmorgen dus om de liefde.
Als wij van liefde spreken gaat het meestal om de liefde tussen mensen. De liefde van de een beantwoordt de liefde van de ander. Als het niet meer gebeurt, verdwijnt de liefde op den duur.
In de huwelijksrelatie van Hosea met Gomer wordt al duidelijk dat het hier om een ander soort liefde gaat. De liefde van Hosea wordt door het gedrag van Gomer keer op keer gefrustreerd. Waar toenadering gezocht wordt, wordt die beantwoord door afstand nemen. Dat houdt een mens misschien wel even vol, maar niet zo lang. Ook Hosea niet. Toch krijgt hij opdracht haar niet te verlaten, maar trouw te blijven.
Dat horend moeten we voor ogen houden dat deze huwelijksrelatie van Hosea allereerst een beeld is van de liefde van God voor Israel. Het gaat dus niet, en zo moet het ook niet gelezen worden, om een voorschrift hoe wij te handelen hebben. Dan gaat het mis. Dan roept dit gedeelte geweldige schuldgevoelens op. Want wie van ons kan zeggen dat hij zo onbaatzuchtig is? Of de gescheiden mensen onder ons, die er vaak alles aan gedaan hebben hun huwelijk te redden, maar daarin niet geslaagd zijn. Hadden ze het dan nog langer moeten volhouden? Nee, zo moeten we de tekst niet horen.
De trouw van Hosea in zijn huwelijk aan Gomer is allereerst een beeld van de trouw van God aan Israël. Het gaat om Zijn liefde voor het volk in het verlengde daarvan ook voor ons.
Zichtbaar wordt gemaakt in het beeld van het huwelijk hoe vreemd en anders deze liefde van God is. God is liefde. Dat is waar, maar dan gaat het om een andere liefde dan die wij kennen.
In het lied dat wij gelezen hebben, wordt met de liefde begonnen. Reeds als kind werd Israel door de Here God bemind. Bevrijd werd het uit de slavernij, geholpen werd het aan alle kanten om te worden wie het was. Hij leerde het lopen, op handen werd het gedragen. Ja zelfs het beeld van de ouder die het kind leidt en voert, wordt gebruikt. Zo intiem en innig is de band van God met zijn volk.
De reactie daarop is afkeer. Hoe harder er geroepen wordt, des te meer gaat het zijn eigen weg.
Als je dit beeld op je laat inwerken, besef je hoe vreemd de liefde Gods is. Niemand van ons had het volgehouden. Hoewel we ver gaan in onze liefde, maar als die telkens afgewezen wordt, dan houdt het een keer op.
Zo gaat het in eerste instantie ook in dit lied. Als het volk zich vast bijt in de ontrouw, dan zal ik hun lot niet verlichten roept de Heer uit. Ook al roepen ze mij aan. Dan keren ze maar terug naar Assyrië en Egypte, naar ballingschap en slavernij.
Die reactie kunnen we ons voorstellen. Wie niet horen, moet maar voelen. Met deze toornige reactie van de Heer hebben we de vorige keer het accent gelegd. De Heer toornt en oordeelt. Er is geen sprake van dat de ontrouw goed gepraat wordt of door de vingers gezien wordt. Wat fout is, is fout.
Vandaag is het accent bij de liefde Gods. Hoewel de afkeer terecht is, de toorn is voelbaar, het oordeel terecht, dat kan niet het laatste woord zijn. Niet omdat er toch nog iets goeds bij Israël of bij ons ten diepste ontdekt is. Geenszins!
Nee, het oordeel heeft niet het laatste woord omdat God God is.
De omkeer in het lied dat Hosea hier zingt wordt in het 18de vers ingezet. Hoe zou ik je kunnen prijsgeven? Ik kan je niet als Adma en Seboim, als Sodom en Gomorra laten ondergaan. Mijn toorn laat ik varen.
Waarom? Ja enkel en alleen omdat mijn hart verscheurd wordt, omdat Ik door barmhartigheid wordt bewogen.
Zo wordt ons de Here God verkondigd. Ik doe zo, omdat ik God ben en geen mens.
Dit is een van de meest fundamentele zinnen uit de bijbel. Daaraan hangt ons hele bestaan. Als we deze zin niet kennen nazeggen is er geen hoop. Immers, als we van mensen afhankelijk zijn, is er geen trouw en geen redding. Dan krijgen we uiteindelijk wat we verdienen. Wie wind zaait, zal storm oogsten. Wie het milieu vervuilt, zal daarvoor met klimaatverandering boeten. Dit voorbeeld is eindeloos aan te vullen.
Als God geen God is, als er alleen van de mens en menselijke projecties gesproken kan worden, is er geen hoop. Dan zijn we aan ons zelf overgeleverd. Dan houdt het voor Israël op.
Het volk hoort deze profetie op het moment dat het misgaat. Het tien-stammenrijk houdt op te bestaan. Recht vanuit ons menselijk oogpunt. Op dat moment klinkt deze klaroenstoot van de liefde Gods. Ik ben God en geen mens. Dat is hun houvast en troost. Dan ontstaat er redding. Hij vergeldt ons niet naar alles wat wij misdeden, maar wist onze schuld uit. Ook al is de schuld en het oordeel terecht. Dat is niet het laatste. Niet omdat er toch nog iets goeds bij ons gevonden wordt, nee, alleen omdat God God is en geen mens. Hij is God, Die onze afval met liefde beantwoordt. Zijn hart wordt verscheurd, door barmhartigheid bewogen. Op Hem mogen en kunnen we bouwen.
Na deze cruciale zin, Ik ben God en geen mens, gaat de tekst verder: Ik ben in jullie midden. In die zin komt de liefde Gods tot voltooiing. Dat is het hoogtepunt en samenvatting van Zijn liefde.
U begrijpt het wel. Dan hebben we over Jezus Christus. In Hem is Hij in ons midden. Dat is geen onverwachte sprong. Precies deze tekst uit Hosea wordt genoemd in het begin van het evangelie van Matteüs: uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen. Dan gaat het om Jezus.
God ben ik en geen mens. Deze God is in Jezus in ons midden. Zover gaat zijn liefde voor ons dat Hijzelf het in zijn ogen afvallige mens-zijn op zich neemt.
Hij keert zich niet af, maar vereenzelvigt zich daarmee.
Zo wordt God ons verkondigd. Dat is Zijn liefde voor ons. Dan is er geen reden tot wanhoop, ook al breekt de ballingschap aan en zien wij ons om ons heen en in onszelf de duisternis.
Nieuwe hoop klinkt aan het slot van het lied. Als bange vogeltjes komt het volk, schuchter keert het terug uit slavernij en ballingschap. Wie herkent zich niet in dit beeld? Doodbang zijn we in onze wereld maar bij Hem mogen we schuilen. Daar is redding.
Dat is het toekomstbeeld, dat ons geschetst wordt. We zullen thuiskomen uit de ballingschap.
Daarvan mogen we nu al, nu we nog in de ballingschap zijn, weten en getuigen. De voortekenen van die redding, die tekenen van Zijn liefde voor ons, mogen we nu al met vreugde begroeten.
Amen.
(Pendrecht/Heijplaat, 5 augustus 2007).
