Psalm 7
In vers 13 van deze psalm komt het in kerkelijk taalgebruik beladen woord bekeren voor: bekeert iemand zich niet, dan zal het slecht met hem aflopen. God zal hem treffen. Zo uit zijn verband klinken alle bangmakende bijklanken op, die met dit woord verbonden zijn. Het klinkt als een dreiging. Gelet op de borden, die je in b.v. stations kunt aantreffen, wordt het ook nog altijd zo gebruikt.
De psalm geeft de juiste verbanden aan. De oproep om zich te bekeren wordt niet in het algemeen gedaan. Het is de onrechtvaardige - hij die het recht van de armen vertrapt - die aangesproken wordt. Hij is afgeraakt van de weg van de Bevrijder/God. Hij wordt opgeroepen zich te bekeren.
Ook degene die oproept, is niet zomaar iemand. Nee, de rechtvaardige - degene die lijdt aan de onrechtvaardigheid van de goddelozen - roept om bekering. Hij roept de onrechtvaardige op terug te keren naar de God van de armen, dat wil zeggen om recht te doen. Zo wordt in deze psalm de oproep tot bekering verbonden met het doen van recht en gerechtigheid.
Dat brengt ons bij de vraag waar in onze tijd deze roep tot bekering klinkt. We kunnen er niet zomaar van uit gaan, dat wij dat als kerk zijn. Het gaat om de vraag waar in onze tijd het recht van God geschiedt. Deze vraag kan de grondtoon zijn van het werk in Crooswijk/Jaffa.
