Om de toekomst van de gemeente-3
In eerdere artikelen onder deze titel schreef ik over de wijkgemeenten en het werk van het Pastoraat Oude Wijken (POW). Bij de analyse van de wijkgemeenten merkte ik op dat deze in Rotterdam snel aan kracht inboeten. Voor de kerk is dat een zorgelijke ontwikkeling. Nuchtere analyse wijst uit dat tussen nu en 10 jaar bij ongewijzigde omstandigheden de kerk vrijwel uit Rotterdam -Zuid verdwenen is. In het artikel over het PoW ging ik na of deze werksoort wellicht aanknopingspunten voor een kerkelijke presentie heeft. Ongetwijfeld wordt door het PoW goed werk in de wijken verricht. Toch is het de vraag of de toekomst van de kerk door deze werksoort gewaarborgd wordt. Daarvoor zijn er theologische te veel vragen en is de aanpak te eenzijdig gericht op een sociaal economische deel van de bevolking van de stad. De conclusie kan geen andere zijn dan dat we als kerk van Zuid ons terdege zullen moeten bezinnen op de toekomst. Hoe willen we als kerk over bijvoorbeeld tien jaar in de stad aanwezig zijn?
Om misverstanden te voorkomen eerst een korte opmerking over de toekomst van de gemeente. Als ik daarover spreek doe ik dat op basis van de analyses van de cijfers die jaarlijks door de SMRA aangeleverd worden. Die cijfers zien er voor Zuid verre van rooskleurig uit. De kerk verdwijnt in hoog tempo uit de wijken. Tegelijk weet ik dat er ook op theologische wijze over de kerk gesproken dient te worden. Niet onze inspanningen stichten de kerk, maar door Woord en Geest gebeurt dat. Op basis daarvan kan in geloof met vertrouwen naar de toekomst gekeken worden. Ik zal dat niet bestrijden, maar zet daar wel een vraag bij. Betekent juist dit geloof niet dat we opgeroepen worden in ootmoed te zoeken naar die houding en aanpak die dienstbaar kan zijn aan het werk van de Geest? Dat houdt ook kritiek in op de gemeente zoals die is. Zelfgenoegzaamheid en tevredenheid zijn geen vruchten van de Geest. Daarom zou het goed zijn als alle talenten binnen de gemeenten zich met deze vragen van de toekomst van de gemeente bezig houden. De onlangs gehouden ambtsdragersvergadering was daarvan een hoopvol teken.
Nu terug naar de vraag die mij in deze artikelen bezighoudt. In de stad is er naast de wijkgemeenten en het PoW sprake van nog een vorm van kerkelijke presentie: de stedelijke kerkelijke organen. Ik bedoel dan de KSA, het GCW en jeugdwerk adviescentrum De Heuvel. Ook zij vertegenwoordigen de kerk in de stedelijke samenleving. Juist deze positie maakt hen voor het denken over de toekomst van de kerk interessant. Het zou wel eens kunnen zijn dat over tien jaar de kerk vooral in grotere verbanden, misschien wel op stedelijk niveau nog een gezicht heeft.
Daarnaast is er nog een andere, meer zakelijke reden waarom deze organen voor de discussie over de toekomst van de gemeente interessant zijn. Uit de kerken en de overheid vloeit er nogal wat geld naar deze organen. Uit een onlangs gehouden inventarisatie blijkt dat het in totaal om meer dan een miljoen gulden gaat. Ook hier geldt of dit geld besteed wordt op een manier die voor de toekomst van de kerk van belang is. Om die vraag kunnen we niet heen. Op initiatief van de hervormde en gereformeerde classicale vergadering is een platform opgericht dat de werkzaamheden van deze organen inventariseert met het oog op afstemming van de activiteiten. Aan de Centrale kerkenraden, ook van Zuid, is gevraagd in deze problematiek mee te denken.
Het valt niet te ontkennen dat het werk dat genoemde organen doen en gedaan hebben in de stad van groot belang geweest is. Ik hoef alleen maar te denken aan het werk dat vanuit de Pauluskerk gedaan wordt. Daarnaast gebeurt er nog veel meer. De stedelijke samenleving is er door deze kerkelijke activiteiten bepaald niet minder van geworden. Toch betekent dat niet dat daarmee het laatste woord gezegd is.
De organen zijn veelal door de kerken in het leven geroepen om het kerkelijke leven te ondersteunen. In het welzijnsjargon werd dat in de loop der tijd tweedelijns instellingen genoemd. De eerste lijn waren dan de gemeenten. Deze konden een beroep doen op de deskundigheid van deze tweedelijnsinstellingen. De situatie is inmiddels grondig gewijzigd. Kader in de eerste lijn is er niet of nauwelijks meer. Daarmee vervalt een belangrijke basis aan de stedelijke instellingen.
Naast ondersteuningswerk hadden en hebben deze organen ook een eigen taak. Namens de kerken treden zij dan in de stad op. Naar die functie zou nog eens kritisch gekeken moeten worden. Hoeveel taken moeten inderdaad nog door de kerkelijke vertegenwoordigers uitgevoerd worden? In die analyse moet dan ook de relatie met de plaatselijke Centrale gemeenten mee genomen worden. Zijn deze instellingen niet te veel autonome organen geworden? Daarbij dient wel bedacht te worden, dat dat zeker een gevolg is van de lakse houding van de kerkelijke organen zelf. Hoe waar dat ook is, toch is dat geen argument om deze vraag niet te stellen.
Met deze noodzakelijke evaluatie is het werk nog klaar. Daarmee kom ik tot mijn eigenlijke punt. Het zou mij een lief ding waard zijn als de Centrale Kerkenraad van Zuid zo mogelijk in samenwerking met de andere Centrale kerkenraden in Rotterdam tot een uitspraak zou komen op welke manier op stedelijk niveau de kerk present dient te zijn. Om die discussie op gang te brengen noem ik de volgende suggestie.
In de stad is een krachtig kerkelijk instituut noodzakelijk. Op vooral twee terreinen dient dit instituut werkzaam te zijn. Allereerst als deelnemer in de stedelijke discussies over de toekomst van de stad. Daarnaast als instituut dat de kennis van het Christelijke geloof in de stad bevordert en overdraagt. Om te voorkomen dat dit instituut zich los van de kerken ontwikkeld dient er - althans van hervormde kant - een stevige inbedding te zijn in het beleid van de Centrale Kerkenraden van Rotterdam.
In toenemende mate zal in de komende periode de discussie over de toekomst van de stad meegevoerd worden door de grootste religie in de stad: de Islam. Dat is een goede ontwikkeling. Door de terugloop van de christelijke kerk dreigt het gevaar dat de bijdrage vanuit de christelijke traditie niet meer op stedelijk niveau gehoord wordt. Op dat punt dienen kerken nĂș te reageren. In het centrale stedelijke debat mag de kerk niet ontbreken. Daarvoor zijn de vragen die daar aan de orde komen te belangrijk. Ik denk dan aan de ruimtelijke inrichting van de stad, het opnieuw gevoerde debat over het spreidingsbeleid, de huisvesting van de vele ouderen in de stad, de segregatie. Allemaal vragen die het welzijn van mensen raken. De kerk heeft daarin mee te spreken. Daarvoor moeten nu de beslissingen genomen worden.
Daarnaast is het een belangrijke taak van het door mij beoogde instituut om de kennis van het Christelijke geloof in de stad levend te houden of opnieuw bekend te maken. Dat is een taak die zeker in samenwerking met de kerken opgepakt kan worden. Zo’n instituut kan daarin een eigen en een aanjagende functie hebben. Het is een vorm van moderne evangelisatie die in de stad hard nodig is. Het is de opdracht van de kerken op dit moment op dit punt stevig te investeren. Er groeit immers een generatie op die op geen enkele wijze nog een enige weet heeft van het Christelijke geloof. Dat mag de kerk niet onberoerd laten.
Kritieke situaties vragen creatieve en gedurfde oplossingen. Het zou goed zijn als de herbezinning op de taken en functies van de huidige stedelijke organen tot een hergroepering als hierboven bepleit zou leiden. Ook al zou dat het einde betekenen van de huidige stedelijke organen. Het gesprek daarover mogen we niet uit de weg gaan, omwille van de toekomst van de gemeente.
At Polhuis
Hervormd Zuid, 2002, nr. 11 (mei)
