Website At Polhuis


Om de toekomst van de gemeente

In 2003 bestaat de Open Hof 40 jaar. Reden voor een feestje, zeker. Helemaal zeker wat de teneur moet zijn, zijn we niet. Het Carnissehuis vierde nog het 50 jarige bestaan, maar dat was tegelijk het einde van de vieringen daar. Haalt de Open Hof de vijftig? Als dat gebeurt, hoe lang nog daarna. De Bethlehem kerk is al gesloten. Onze katholieke broeders en zusters in Pendrecht en Zuidwijk wachten met spanning de uitkomst van de discussie af welke kerk gesloten gaat worden. De lijst is nog veel langer te maken. We zijn er mee vertrouwd in de kerk van de stad. Het is een proces dat doorgaat. Stukje bij beetje leveren we telkens weer wat in. Gaat het zo wel goed?

In dit artikel geef ik geen oplossingen, waardoor de trend van de afgelopen jaren doorbroken kan worden. Dat is onmogelijk. Wie de (demografische) feiten weet, weet dat het draagvlak voor de (wijk)gemeenten afbrokkelt. Wel is het mogelijk een iets actiever beleid te voeren. Waar ik mij zorgen om maak, is dat we ons als gemeente slachtoffer voelen van de gebeurenissen. We hebben er geen greep op. Ieder op zich probeert te redden wat er te redden valt.

Als ik de opmerkingen maak, besef ik dat ik in de Hervormde gemeente van Zuid nog maar net mee loop. Tegelijk ken ik de stad en de kerkelijke gemeente ook van uit andere posities. Daarom waag ik het maar op.

In Zuid is jaren geleden gekozen voor een decentralisatie van de wijkgemeenten. Dat is ook het uitgangspunt van de beleidsnota die door de Centrale Kerkenraad aanvaard is ‘Rentmeesterschap over velerlei genade’. Het accent van het beleid ligt bij de wijkgemeenten, de Centrale kerkenraad is daaraan ondergeschikt en dienstbaar. Indertijd een terechte keus, maar geldt dat ook nu nog? Het zou nuttig zijn als opnieuw in de gemeente gesproken wordt over dit organisatieprincipe. Ik ben er niet zo zeker van of dit uitgangspunt ook in de huidige tijd dienstbaar is aan de opbouw van de gemeente en daarmee aan haar toekomst.

Achtergrond van de decentralisatie was de territoriale wijkindeling. Op die wijze werd de kerk in de jaren 50 ingericht. Zeker in Rotterdam heeft dat gewerkt. Elke wijk heeft een eigen kleur en een bevolking die lange tijd in hoge mate homogeen was. Zo was Pendrecht indertijd gebouwd als een soort dorp in de stad. Het moest overzichtelijk zijn, waardoor bewoners structuur in hun leven kregen. Binnen die structuur paste de kerk. Tot in de jaren 60 was het bouwen van een kerk in een nieuwbouwwijk dan ook vanzelfsprekend. De visie van toen heeft goed gewerkt. De Open Hof met de ontmoetingsruimten heeft jarenlang goed gefunctioneerd. Terecht vroegen de wijken om een zekere autonomie.

Dit model van gemeenteopbouw werkt niet meer. Dat komt door de vestiging van nieuwe Nederlanders, maar vooral door de toegenomen mobiliteit van mensen. We zoeken zelf wel uit met wie wij omgaan. Dat kan in de buurt, maar ook ver daarbuiten zijn. Voor deze verandering zijn nog wel meer verklaringen te geven. Ik laat het hierbij. Het voornaamste is dat de situatie in vergelijking met de jaren 50 grondig veranderd is. Toch hanteren we in de kerk nog het model van die tijd. Iedere wijk(gemeente) bepaalt zijn eigen beleid. Wat toen goed was, hoeft dat nu niet meer te zijn. Ik ben van mening dat daar vragen bij te stellen zijn.

Laat ik een voorbeeld geven. In Pendrecht staan we voor de vraag of en hoe de erediensten op Heijplaat gecontinueerd worden. Als we het kunnen oplossen binnen ons eigen budget, zal er geen discussie ontstaan. Als het ons niet lukt, zal het beroep op de centrale middelen maar beperkt mogelijk zijn. We zullen wel een oplossing bedenken. De tering zal wel weer naar de nering gezet worden. Datzelfde geldt ook voor Zuidwijk, Vreewijk, Charlois en Lombardijen. Ieder houdt daarbij zijn eigen belangen goed in de gaten, zonder dat we ons echt verantwoordelijk voor elkaar voelen. Toch is de vraag of al die plaatselijk bedachte oplossingen echt een antwoord geven op de ontwikkelingen in de stad. Leidt de decentralisatie zo niet, onbedoeld, tot een onderlinge concurrentie? Wordt daarmee de toekomst van de gemeente in de stad gediend? Ik denk het niet.

Als we naar de staat van de wijkgemeenten in alle eerlijkheid kijken, moeten we zeggen dat zij het niet meer redden. Langzaam maar zeker zakt de organisatie van de kerk in. Tegelijk staan zij voor grote vragen. Dit scenario vrees ik. Het is tijd voor bezinning en verandering.

Actiever dan nu zullen de centrale organen van de kerk in Zuid de uitdagingen op moeten pakken. Is er nog wel ruimte en mogelijkheid voor het organisatorisch in standhouden van de wijkgemeenten? Zou één kerkenraad voor Zuid niet op dit moment het meest haalbaar zijn, het liefst in samenwerking met de Gereformeerde en Lutherse broeders en zusters. Is het niet hoog tijd dat we met elkaar vaststellen welke vormen van kerkelijke presentie we in Zuid overeind willen houden om dan ook daarin te investeren? Zou een iets krachtiger professionele ondersteuning van de in de gemeente van Zuid te onderscheiden kernen niet mogelijk zijn? Er is een kerkenkantoor met beroepskrachten. Dat is een luxe die we wellicht te weinig gebruiken. Allemaal vragen en er zijn er nog wel meer, die bij de huidige situatie te stellen zijn. We mogen ze niet ontlopen, omwille van de toekomst van de kerk.

A. Polhuis

Hervormd Zuid, 2001, nr. 23