Website At Polhuis


Kroniek oktober 2006

Tijdens de jaarlijks tijdens de Ramadan door het Turks huis georganiseerde Iftar maaltijd kom ik tegenover een oudere Turkse man te zitten. We groeten en elkaar vriendelijk. In mijn hoofd zit de in Nederland losgebarsten discussie over de Armeense ‘genocide’. Op dezelfde dag heeft het Franse parlement een wet aangenomen waarbij ontkenning van deze volkerenmoord strafbaar wordt. Om mij heen hoor ik Turks praten. Hoe ervaren zij nu deze commotie? Leeft het ook bij hen? Ik durf het mijn tafelgenoot niet te vragen. Bang voor de heftige emoties die ik op de TV bij Turken gezien heb. Ik weet niet meer wie uiteindelijk begon, maar enkele momenten later zijn we toch volop in gesprek over dit onderwerp. Het verhaal van de Turkse man treft mij. Hij is meer dan dertig jaar in Nederland. Hij heeft zich er altijd prettig gevoeld. Hij heet zich ingezet om Nederlands te leren. Mede het Turks huis opgericht om daarmee de Turkse gemeenschap bij de Nederlandse samenleving te betrekken. Nu voelt hij zich er niet meer thuis. Wij worden door de Nederlandse samenleving niet geaccepteerd. De ophef over de Armeense kwestie is alleen maar bedoeld om Turkije uit de Europese Unie weg te houden. Het christelijke Europa wil ons niet en spant om dat te bereiken samen met de van oorsprong christelijke Armeniërs. Heeft dat nu gevolgen voor de stem die u bij de komende verkiezingen uitbrengt, vraag ik hem. Hij kijkt mij aan. Ik mag niet eens stemmen, ook al woon ik meer dan 30 jaar hier. Ik heb geen Nederlands paspoort. Niet omdat ik dat niet wil. Nee, als ik dat aanvraag word ik gedwongen mijn Turkse nationaliteit op te geven. Hoe kan ik dan nou? Laat de Nederlandse regering deze problemen oplossen. Daar hebben we meer aan dan oordelen over wat er honderd jaar geleden gebeurde.

Zijn relaas raakt mij. Ik weet er niet goed raad mee. De kritiek op de Nederlandse overheid en samenleving is hard en in mijn ogen niet altijd terecht. Toch ga ik daar maar terzijde op in. Wat mij raakt is zijn boosheid. Hij voelt zich ontkend, niet serieus genomen. Op één punt herkennen wij elkaar. Na 30 jaar is dit het resultaat van alle pogingen om te integreren. Hij heeft zijn best gedaan en ook ik heb mijn best gedaan en met mij vele bewoners en kerkleden. Beiden ervaren de kloof die er tussen ons is. Dat doet hem en dat doet mij ook pijn.

Het gesprek houdt mij lang bezig. Misschien gaat de weg naar integratie wel via deze botsingen, bedenk ik mij. We hebben lang gedacht dat die weg harmonieus zou zijn. Gastarbeiders zouden vanzelf wel de weg vinden in onze maatschappij, omdat die goed is. Dat leek ons vanzelfsprekend. Zo werkt het dus niet. Hoe meer we elkaar leren kennen, des te meer ervaren we hoe verschillend we zijn. Dat roept harde vragen wederzijds op. Dat is misschien toch het teken dat we elkaar na meer dan 30 jaar werkelijk gaan ontmoeten. Dat lukt alleen als we bereid zijn de vragen en de kritiek naar elkaar toe uit te spreken, hoe moeilijk dat ook is. Dat is de les die we misschien nu moeten leren. Juist in het conflict moeten we elkaar serieus nemen. Het feit dat er nu conflicten zijn is het teken dat we elkaar serieus beginnen te nemen. Vasthouden in het conflict, dat is de kunst, overdenk ik bij mij zelf.

Aan het eind van het gesprek bedank ik hem voor zijn openhartigheid en spreek ik de wens uit dat we ondanks alle verschillen met elkaar in gesprek blijven. Hij knikt. Veel hoop heeft hij niet. Dan schudden we elkaar uitgebreid de hand. Die handdruk na dit gesprek is voor mij een teken van hoop.

At Polhuis