Website At Polhuis


Psalm 134

Sleutelwoord in de psalm is het werkwoord zegenen. Er wordt wederzijds gezegend, althans daartoe opgeroepen. Zegen de Heer en moge de Heer U zegenen. Dat wij de Heer zegenen is vreemd voor ons. Meestal vertalen we hier met loven of prijzen. Dat is niet verkeerd, maar nu staat er in de nieuwe vertaling zegenen. Dat is goed te verdedigen. Wij worden opgeroepen de Heer te zegenen. Wie dat doet, mag hopen op de zegen van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.

Wie de Heer zegent, spreekt daarmee uit, zijn Naam op aarde groot te willen maken. Voor ieder mag duidelijk worden, dat ik Hem voor mijn ogen heb. Ik verdoezel het niet, maak Hem niet kleiner om daardoor bij anderen meer geaccepteerd te worden. Ik zegen de Heer. Hij mag er zijn in wat ik doe, ja in mijn leven mag hij groeien. Niet ik, maar U wast in mij. Dat is het zegenen van de Heer.

Wie de Heer zegent, mag op zegen hopen. De Heer die tot ons, die zo zeer van Hem verschillen, onomwonden Ja zegt. Jij mag er voor mijn aangezicht zijn. Die zegen klinkt in onze wereld; uit Sion staat er in de psalm. De almachtige God verbindt zich met onze wereld, opdat daar Zijn zegen klinkt. De Her is niet ver van ons, integendeel, Hij woont bij Zijn volk. Als gemeente belijden wij dat wij Zijn zegenende stem gehoord hebben in Jezus Christus. Hij is in ons midden het huis van de Heer, waarin God en mens elkaar wederzijds zegenen.

ds A. Polhuis