Psalm 137
Een indrukwekkende psalm die vreselijk eindigt. Degene die de kinderen van Babel op de rotsen verplettert, wordt gelukgewenst. Degene die wreekt, wordt geprezen. Het stuit ons tegen de borst. Het stelt ons voor onoplosbare vragen. Zo wordt er ook de bijbel gesproken, niet door ongelovigen, maart tot onze schrik door de gelovigen. Deze teksten brengen ons in verlegenheid. Wat is het verschil met ander religieus extremisme?
De psalm zet in met een hartstochtelijke klacht. Het hart breekt van het verlangen naar Jeruzalem. Niets liever wil daarover zingen, liederen van heimwee, van verlangen, liederen van vreugde. Zo kan men zich niet uiten. De verwoester van Jeruzalem zal zich vrolijk maken om deze liederen. Het is de spot van de machthebber door de eeuwen heen met de mensen die hij gekleineerd heeft. Wie kan hem iets maken? In die situatie kan Israƫl geen woord meer uit de keel krijgen.
In de slotverzen wordt dat gezegd als het loflied niet meer gezongen kan worden. Dan klinkt de machteloze woede van het volk, de machteloze woede die er toch van verzekerd is dat de machtigen van hun tronen gestoten worden. Hun val kan diep zijn. Een gruwelijk visioen. We moeten er maar geen leer van maken. We doen er beter aan de machteloze woede van de kleinen ook in onze tijd te verstaan en er aan bij te dragen die woede te verminderen.
ds A. Polhuis
