Psalm 139
Er is geen psalm waarin de intieme verbondenheid tussen God en mens meer bezongen wordt dan in deze psalm. Dit intieme kennen wordt niet als beklemmend ervaren. Integendeel, de dichter voelt zich geen gevangene Gods, die in een extra beveiligde gevangenis dag en nacht in de gaten gehouden wordt. De psalmdichter gaat het om het majestueuze. God kent mij geheel en al. Onbegrijpelijk is het voor de mens zo´n God te hebben.
Deze kennis van God heeft de mens niet vanuit zichzelf. Wij moeten de verwondering, die wij kunnen voelen als wij de ingewikkeldheid van ons leven en bestaan beschouwen, niet verwarren met de verwondering van de psalmist. We leren God niet kennen door zelfkennis. Dat God ons kent tot in ons diepste wezen, heeft Hij ons geopenbaard. Geheel en al is Hij mens geworden. Daar wordt in het Oude Testament van geprofeteerd en in het Nieuwe Testament van getuigd. Wie de mens is, wordt in Jezus Christus openbaar.
Wie dat weet, begrijpt ook de op het eerste gehoor merkwaardige verzen 19-22. Daar spreekt de psalmist niet over andere mensen, maar over zichzelf voordat hem geopenbaard is wie hij voor God is. Dat is de mens die buiten God om leeft. De verleiding ligt dagelijks op de loer om weer als vanouds verder te leven. Daarom wordt God aan geroepen om dat te voorkomen. Houd mij op de weg kunnen leven. Dat is de weg waarop ik weet dat U mij ten volle kent.
ds A. Polhuis
