Kroniek (oktober 2007)
1 januari is het zo ver. Dan gaat ook voor Rotterdam de Wet Maatschappelijk Ondersteuning gelden. De wet neemt verschillende taken uit de huidige AWBZ over. De afgelopen maanden heb ik een aantal bijeenkomsten bezocht waarin de gevolgen van deze overgang toegelicht werden. In alle bijeenkomsten werd dezelfde boodschap hardop of indirect uitgesproken. De hulp die nu geboden wordt blijft ook in 2008 gegarandeerd. Op die manier wordt de onrust onder de gebruikers gesust. Althans dat hopen de beleidsmakers. Het doet mij sterk denken aan de invoering van het nieuwe zorgstelsel. Ook toen grote onrust bij de verzekerden. Ook toen geruststellende woorden van de beleidsmakers en inderdaad achteraf gezien viel het allemaal mee. Of dat nu ook met de invoering van de WMO zal gebeuren, is nog afwachten. Zeker is dat deze invoering ook een hele grote operatie is.
Vele bewoners van Pendrecht zijn afhankelijk van de hulp, die nu via de AWBZ betaald wordt. Als ik de beleidsmakers dus moet geloven, verandert er voor hen met ingang van het nieuwe jaar niets. Ik ben daar niet gerust op. In andere gemeenten is al ervaring met de WMO. Daar blijkt de invoering niet vlekkeloos te verlopen. Het lijkt mij voor de hand liggend. De invoering van de WMO is immers ook een bezuinigingsoperatie. De kosten van de AWBZ liepen zo hoog op dat er ingegrepen moest worden. In de voorlichtingsbijeenkomsten hoor ik dat het motto van de WMO ‘niet leunen, maar steunen’ is. Daarmee wordt bedoeld dat de zelfstandigheid van de hulpvrager voorop staat. Hij of zij mag niet afhankelijk worden. Zo lang als mogelijk is moet hij zelfstandig blijven. Dat klinkt mooi, maar in de praktijk kan dat zo maar betekenen dat de hulp verminderd wordt. Er werd dan kennelijk te veel geleund, tenminste dat vinden de beoordelaars van de WMO. Waar nu nog betaalde krachten het werk doen, kan dat in de toekomst ook door kinderen of anderen gedaan worden.
Het klinkt allemaal prachtig. Ik kan mij ook er ook wel in vinden. Je blijft verantwoordelijk voor je eigen leven. Het is goed als mensen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen deelnemen aan het buurt- en familieleven. Als daarbij enige steun nodig is, moet die er zijn, zonder dat de hulpvragende helemaal op de hulpverlener gaat leunen. Wie zou tegen deze filosofie van de WMO bezwaar kunnen hebben? Toch hoor ik de verhalen van de uitvoerders van de WMO met enige zorg aan. Tijdens de vergaderingen van de Ouderen Advies Raad (OAR) hoor ik te vaak het verhaal dat met name de huishoudelijke hulp voor ouderen een stuk minder is dan onder de AWBZ het geval was. Ook de kans dat de huishoudelijke hulp en de iets intensievere zorg door verschillende hulpverleners uitgevoerd gaat worden, roept veel onrust op. Ouderen krijgen dan niet één hulpverlener, maar meerdere over de vloer.
Nogmaals, hoe de WMO in de praktijk in Rotterdam en dus ook in Pendrecht gaat werken, weet nog niemand. Het is zaak nuchter te blijven en niet mee te gaan met allerlei indianenverhalen, die helaas ook door instellingen, die daar belang bij hebben, verspreid worden. Het is wel zaak de vinger aan de pols te houden. Na 1 januari zullen de betrokken instellingen ongetwijfeld succesverhalen blijven vertellen. Zij kunnen niet anders. Zonder succes raken zij hun opdracht immers weer kwijt. Belangrijker is het om de ervaringen van de betrokken zelf te horen. Dat zijn de hulpvragenden, de ouderen zelf. Om met de Pendrecht universiteit te spreken. Zij zijn de kennishouders!
In de OAR wordt er gesproken over de mogelijkheid om met ingang van 1 januari een soort meldpunt WMO op te zetten. Bij dat meldpunt kunnen dan positieve en negatieve ervaringen van de direct betrokken aangebracht worden. Met die ervaringen kan dan nagegaan worden of alle jubelverhalen over de invoering van de WMO kloppen. Ik hoop vurig dat de OAR tot een dergelijk meldpunt besluit. U zult er dan zeker in de huis aan huiskranten over lezen. Houd die dan ook in de gaten. Ook als dat meldpunt er niet komt, kunt u natuurlijk uw ervaringen ook aan de OAR schrijven. Wie dat wil, kan dat rechtstreeks doen, of een briefje aan mij geven.
At Polhuis
