Psalm 68
Het thema van deze psalm is in elke tijd opnieuw aktueel. Het gaat de goddeloze goed. Hun welvaart gaat ten koste van anderen. Waar de één zich verheft, wordt de ander te neer gedrukt. Het raadsel van elke tijd is, dat God dat toelaat. Hij grijpt niet in. Hij zwijgt. Dat is voor de rechtvaardige eeen dagelijkse kwelling.
In de psam wordt een scherp beeld getekend van de goddeloze. We verstaan het niet wanneer we goddeloos al te snel laten samenvallen met niet-gelovige, heiden. Ook een goddeloze kan heel goed in god geloven. Goddeloos is hij die onbezorgd zijn bezit vermerdert en zich daartoe met geweld omhult. Hij handelt alsof hijzelf het laatste woord heeft en zijn macht tot in het oneindige zal voortduren.
Wie in de God van Israël tegen de feiten in blijft geloven, kan niet mee doen met de goddelozen. Hij wacht op hun einde door de hoop op de rechtvaardige God levend te houden. Zou daaraan niet de gemeente in dit werelddeel herkend worden; ja juist in dit werelddeel dat voor de armen in de derde en vierde wereld zo goddeloos is?
