Psalm 144
Die mijn handen oefent voor de strijd, die mijn vingers schoolt voor het gevecht. De gelovige wordt toegerust om te strijden. Zijn instructeur is de Here God. Van Hem wordt later in de psalm gevraagd de volkeren uiteen te slaan. Dan luistert het nauw hoe we deze psalm verstaan. Het kan zo maar gebeuren dat met een beroep op Gods training de strijd aangaan tegen de vijanden. Met God aan onze zijde. Zo is het vaak gegaan.
Nauwkeurige lezing zet vraagtekens bij zo’n uitleg. Lettend op de wapens, dan valt het op, dat zij defensief van aard zijn. Er wordt gesproken over een burcht en een schild. Gelovigen worden niet opgeroepen offensief te strijden. Het is zelfs de vraag of ze tot strijd opgeroepen worden, ook al is die defensief van aard. In de verdrukking waarin zij verkeren, worden zij opgeroepen vol te houden; aan God de eer te geven. Hem voor hen te laten strijden.
Wie mensen kent, weet hoezeer dat tegen hun aard ingaat. Wie gelooft, strijdt tegen zichzelf. Niet ik, maar de Here God staat in voor de menselijkheid, voor de redding daarvan. De slotverzen van de psalm getuigen daarvan. Welvaart, overvloed en vrede zijn de gaven Gods. Ook al duurt het lang en is dat perspectief in onze wereld ver weg, als gelovigen blijven we er ons aan vast houden. Tegen alles en onszelf in. Voor die strijd heeft de Heer onze handen geoefend en onze vingers geschoold.
ds A. Polhuis
