Website At Polhuis


Psalm 147

Psalm 147 is een psalm die je helemaal tot het einde moet lezen. Stop je te vroeg, dan wordt zij misverstaan. Dan wordt de psalm een uitdrukking van de algemeen menselijke religiositeit die onder de indruk van de natuurverschijnselen wel tot een opperwezen moet concluderen. Wie de talrijke sterren ziet, de indrukwekkende ijsvlakten van de polen, wie de natuur zich ziet ontplooien in het voorjaar, kan zo maar het gevoel krijgen dat God daar achter moet zitten, zo schoon is het.

In de loop van de psalm zijn er al een paar aanwijzingen dat dit ontzag voor de natuurlijke schoonheid niet de grond is van de lof van God. Hij geneest en verzorgt. Hij richt vernederden op en drukt goddelozen neer. Op kracht van paarden vertrouwt Hij niet. Dat zijn toch geen verschijnselen die zo maar met eigen ogen gezien worden, eerder het tegendeel. Toch zingt de dichter ook daarvan met overtuiging en hartstocht. Hoe weet hij dat als het niet in de feiten van alledag zichtbaar is?

In de slotverzen wordt duidelijk wat de bron is waaraan de lofzang ontspringt. De Heer zendt Zijn woord in de natuur en Hij zendt Zijn woord aan Jacob, aan Israël. Het laatste is de kern. Aan Israël maakt hij zich bekend, niet in het algemeen, maar aan dit volk. Met dit volk heeft Hij zich verbonden of beter dit volk heeft Hij gesticht. Om Hem , ook in de natuur te kennen en te kunnen prijzen, gaat dan ook alleen via deze sluis, altijd weer. De God die zich aan Israël bekend maakt, is ook de God van hemel en aarde.

ds A. Polhuis