Website At Polhuis


Psalm 150

De lof der Heren is in de meest geconcentreerde vorm de kern van de redelijke godsdienst. Waar de lof ontbreekt, verdort het diaconaat, wordt het pastoraat een vak en het apostolaat tot inhoudsloze reclame. De lof ontstaat vanzelf. Zij wordt bij ons opgeroepen, eerst bij Israël, daarna bij de gemeente en tot slot bij allen. Het kan niet uitblijven. Alles wat adem heeft zal de Heer loven.

In de eerste verzen van de psalm wordt de grond van de lof bezongen. Aan ons is God bekend gemaakt. Hij woont waar wij niet wonen. Hij is anders dan wij. Waarom zouden wij iemand loven die aan ons gelijk is of voorkomt uit onze gedachten? Zo is het bij deze God niet. Hij is de vreemde, de verhevene die in ware zin een tegenover van ons is. Hij is anders dan wij, fundamenteel anders. Juist als wij Hem herkennen, weten wij dat Hij God is en wij mens. Hij is als enige de naam God waardig. Hij is de verhevene.

Krachtige daden heeft Hij gedaan en Zijn grootheid is oneindig. De hoge God, die in de hemelen woont, hebben wij leren kennen, omdat Hij zich aan ons bekend maakte. Dat is Zijn grote daad van barmhartigheid. Daaruit blijkt Zijn oneindige grootheid. In Jezus Christus werd Hij één van ons om ons leven te redden en toekomst te geven. Daardoor hebben wij niet de dood voor ogen, maar Zijn leven. Een krachtiger daad is niet mogelijk. Dat deed Hij voor allen. Daarom geldt ook voor ieder de oproep Hem en alleen Hem te loven.

ds A. Polhuis