Website At Polhuis


Psalm 66

De psalmdichter heeft geen last van enige gĂȘne, wanneer hij de volken oproept zijn God te prijzen. “Prijst, o volken, onze God”. Geen dialoog, waarin de eigen positie gerelativeerd wordt. Geen bescheidenheid waarin van een gelijkheid tussen de verschillende religies uitgegaan wordt. Onze God is het, die geprezen moet worden. Hij is het die voor eeuwig heerst.

Is deze oproep er omdat de psalmdichter gelooft dat ‘zijn’ God de machtigste is, die alle andere goden de baas is? Is het zo, dat hij in het godengevecht de sterkste gebleken is. Wanneer dat zo zou zijn, was er voor de aarde geen reden tot juichen. Gelet op de vele religieus getinte conflicten is de oproep zo wel verstaan. Tegenover elkaar staan de machthebbers het hardst te roepen ‘prijst mijn God’, want die is beter en sterker. Onderwerp je aan hem en dus aan mij.

Voor de psalmist is deze God prijzenswaardig, omdat Hij de menselijkheid op het oog heeft. Het welzijn van mensen. Hij laat niet toe dat onze voet wankelde. Deze God die niet in is voor machtsspelletjes, maar uit is op de aarde als leefbare plaats voor mensen, is het waard geprezen te worden. Zijn heerschappij is hoopvol voor mensen, vooral voor de zwaksten onder ons.