Psalm 59
Weer een psalm met als thema de spanning tussen sterken en en de door hen bedreigden. De één maakt zich op niets ontziende wijze sterk ten koste van de ander. Weer wordt de partijdigheid van de God van Israël bezongen. Hij is een toevlucht voor de bedreigden en een wreker van het onrecht. De geweldenaren hebben bij Hem geen leven.
Er zijn er, die het Christelijke geloof omwille van deze voorkeur van God voor de zwakkeren fel bestreden hebben. Men verzette zich er tegen, dat zwakheid “omgelogen” werd tot deugd. Het ware beter niet te berusten, maar in verzet te komen. Niet zwakheid, maar moed, moed om te zijn, om voor je zelf op te komen, te vechten, dat is deugdzaam.
Kritiek die we ons mogen aantrekken, zeker wanneer we als gelovigen berusten in situaties van onrecht. In de psalm is daar geen sprake van. De psalmist is in zijn benauwdheid geestelijk en daardoor ook lichamelijk uiterst weerbaar. Hij kan zich bij het onrecht niet neerleggen, omdat hij een onverwoestbaar geloof in de Bevrijder/God heeft. Geen vreemde, verre God, maar de uiteindelijke kracht in en van alles wat er gebeurt.
