Kroniek maart 2004
Enigszins verbouwereerd zit ik er bij. Dat komt niet door de bijzondere omgeving. Op mijn verzoek rijd ik een avond mee op de bus van Youth for Christ. Voordat de bus vertrekt, stelt de chauffeur voor om een zegen over de avond te vragen. Nu is bidden niet vreemd voor een dominee. Het is vooral de toon en ook wel de inhoud die vreemd voor mij is. Ik voel op dat moment een grote afstand tussen mij en mijn begeleiders. We staan zo dicht bij elkaar maar tegelijk ook weer heel ver uit elkaar. Hier raken twee werelden elkaar die weinig met elkaar delen.
Ik rijd deze avond mee omdat ik nieuwsgierig ben naar het werk van YfC. Zij halen met de bus jonge, meestal Antilliaanse jongens op. De bus is een soort rijdend clubhuis dat naar jongeren toegaat. Deze avond meldden zich ongeveer 12 jongens, in de leeftijd variërend van 12 tot 18 jaar. Over de jongste wordt nog even overlegd. Hij is eigenlijk te jong, maar vooruit het is vakantie. Hij mag dus mee. In de bus staat een tafelvoetbalspel. Daar wordt gebruikt van gemaakt. Het gaat er luidruchtig aan toe. Ondertussen vertelt de jongerenwerker over zijn werk. Hij woont in de wijk en is zelf zwart. Hij straalt betrokkenheid uit. Dat doet mij goed. Iets van de vervreemding van het begin verdwijnt. Hier is iemand aan het woord die om deze jongens geeft.
Iets over 6 rijdt de bus weg. Net voordat we de wijk uitrijden ziet de jongen, over wie nog even overlegd was, zijn moeder staan. Hij vraagt of we kunnen stoppen. Hij gooit zijn bal naar zijn moeder en roept dat hij meerijdt. Zijn moeder knikt en lacht. Ik merk bij mij zelf dat ik mij er over verbaas. Het is toch etenstijd. Hoort hij eigenlijk niet thuis te zijn? Opnieuw voel ik vervreemding.
We rijden naar een soort clubhuis voor jongeren, een slooppand in een andere wijk. Veel schade kan daar niet veroorzaakt worden. Het lijkt de jongens niet te deren. Er staat een poolbiljart, een tafeltennistafel en een computer met spelletjes. Zij slaan geen acht op mij. Werelden die elkaar niet raken.
Ik vraag de jongerenwerker waarom deze jongens uit Pendrecht naar deze wijk toe moeten. Dat moet wel, vertelt hij. In Pendrecht is er geen enkele plek waar deze jongens naar toe kunnen. Alle pogingen zo’n plek te vinden zijn tot op heden op niets uitgelopen. Ik geneer mij een beetje. Er wordt gemopperd in de wijk en vaak is dat terecht. Het zijn geen lieverdjes, maar erg veel hebben we ze ook niet te bieden. Als ik ze gade sla, krijg ik toch met al hun machogedrag met ze te doen. Zoveel vragen ze toch ook weer niet.
Het gebed waarmee de avond begon, klinkt nog na in mijn hoofd. Daarin is gevraagd of deze jongens ook de Here Jezus mogen zien. Ik aarzel even, maar dan waag ik het er toch op. Ik vraag aan de jongerenwerker of dat nu lukt. Spreekt hij nu met deze jongens over het geloof? Ja ja , dat is wel de bedoeling, legt hij uit. Hij vertelt het verhaal van een collega die nu met een groep jongeren een gesprekskring heeft. Zo ver zijn wij nog niet. Hij wacht even. Dan vertelt hij eerlijk hoe moeilijk dat is. Er is geen interesse voor. Er is in dat opzicht een kloof tussen hem en de jongens. Ze weten wel dat hij gelooft en dat respecteren ze ook wel, maar daar blijft het bij. Als hij er over zou beginnen, zou dat bij hen bevreemding oproepen.
Enigszins in verwarring kom ik ’s avond thuis. Een samengaan van drie verschillende werelden die Nederlands spreken maar tegelijk een totaal verschillende taal. De multiculturele samenleving in de notendop.
At Polhuis
