Psalm 48
Het is voor mij altijd weer opvallend hoezeer de realiteit van de psalmdichter met die van ons verschilt. Scherper gezegd: door het spreken van de psalmdichter over God komen wij onder de kritiek. Gaat u maar na.
De psalmdichter spreekt over een God waarvoor de koningen wegvluchten. De dochters van Juda (n.b. niet de zonen!) juichen om de gerichten van deze God over de koningen. De zwakken juichen om deze God.
Bij ons boezemt God de koningen van onze tijd geen schrik meer aan. Er bestaat in ons geloof nauwelijks nog een onoverbrugbare kloof tussen God en de machtigen. God voelt zich bij de machtigen wel thuis.
Zou het daarom zijn, dat de zwaksten in onze samenleving niet meer voor deze God juichen? Zou het daarom zijn, dat in de derde wereld landen de zwaksten deze God weer leren kennen? Is dat niet een aansporing de God van de machtigen los te laten en op zoek te gaan naar de God om wie de dochters van Sion juichen?
