Kroniek oktober 2003
Vol overtuiging zegt zij het. ‘Wij worden niet door de Islam maar door Nederlanders onderdrukt.’ Verbijsterd hoor ik de met hoofddoek omhulde moslima aan. Bijna op hetzelfde moment wordt in de kranten de trieste geschiedenis bekend van de moord op een moslimmeisje. Gedood door haar vader die het niet verdragen kon dat zij een iets andere weg koos dan hij gewend was. Zij is niet de enige die fel naar de Nederlandse samenleving uithaalt. De een na de andere, veelal jonge allochtone Nederlander uit zijn woede en frustratie op de inspraak avond van de Integratiecommissie in de Wielewaal. Autochtone Nederlanders houden wijselijk hun mond of gaan weg. De sfeer is er niet naar.
Ruim een week daarvoor was ik jurylid bij de openbare vergadering van de commissie wijkzaken van de deelgemeente in Valckensteijn. Meer dan driehonderd mensen hadden zich opgegeven. Alle moeite en pijn van de autochtone Pendrechtenaren komen in de drie afzonderlijke sessie weer aan de orde. De bestuurders van de deelgemeente doen met wisselend succes hun best uit te leggen dat de klachten gehoord worden en dat er ook echt iets mee gebeurt. Het zijn geen praatjes voor de vaak. Even daarvoor heeft de deelraad het wijkveiligheidsactieprogramma Pendrecht aangenomen. Daarin worden ongeveer 20 maatregelen beschreven die de leefbaarheid in Pendrecht moeten vergroten.
Een terugkerend refrein in al de drie sessies is de klacht dat allochtone bewoners van de wijk niet aanwezig zijn. Zij zijn niet betrokken op de buurt, terwijl zij de meeste overlast geven. In de beleving van veel autochtone wijkbewoners zijn zij de schuld van de teruggang van de wijk. Dat zij niet aanwezig zijn, is bijna een bewijs van de zinloosheid van alle inspanningen.
Met deze geluiden nog in mijn hoofd zit ik in de Wielewaal. Hier zijn zij wel,de allochtone Nederlanders, niet vriendelijk en meegaand, maar fel en agressief. Voor het eerst voel ik aan den lijve wat het betekent om in een zaal te zitten die met veel verbaal geweld datgene wat mij vertrouwd is, aanvalt. Ik vraag mij af of dat hetzelfde gevoel is dat allochtone wijkbewoners gehad hadden als zij de vergadering in Valckensteijn hadden meegemaakt. Ik kan mij voorstellen dat zij dan wegblijven. Enigszins onthutst ga ik na afloop naar huis.
De kloof is diep. Waarin beiden overeenstemmen is in het aanwijzen van de schuldige van hun niet benijdenswaardige situatie: dat is de ander. Het vermogen om de oorzaken ook bij je zelf te zoeken is niet groot. De balk in het eigen oog wordt nog altijd minder snel gezien dan de splinter in het oog van de ander. Dat levert uiterst lastige, bijna onmogelijke gesprekken op. Het moslimmeisje is daar een voorbeeld van. Ik noem met opzet haar. Haar kritiek is zo grotesk dat de verleiding groot is helemaal niet meer het gesprek te zoeken. Begrijpelijk, maar de kloof zal er alleen maar dieper van worden.
Dat zou buitengewoon jammer zijn. In de woede van de jonge allochtone Nederlanders hoorde ik ook nog wat anders. Zij maken zich boos over onze samenleving. Dat noem ik positief. Het duidt er op dat zij deze samenleving ook serieus nemen. Deze samenleving is ook hun samenleving. Als het hen niet zou interesseren, waren zij niet boos geweest en komen opdagen. Het is een rauwe schreeuw om aandacht, om gehoord te worden. Zo mengde zich toch enige vreugde in de onthutsing. Ik hoop dat ook dit geluid van de Wielewaal gehoord wordt.
At Polhuis
