Website At Polhuis


Kroniek maart 2002-2

Ook ik ontkom er niet aan. De afgelopen weken stonden in het teken van Fortuyn. De verbijstering is groot als op de avond van de verkiezingen de uitslag van de gemeenteraad bekend wordt. Ik ben die avond in de Larenkamp. De politieke partijen van de deelgemeente zijn daar bijeen. Direct na het bekend worden van de enorme winst begint het. Tot op de dag van vandaag gaat het door. Ieder die je spreekt, vraagt je mening. Die vraag brengt mij in verlegenheid. Verwacht wordt dat je onomwonden je afkeuring uitspreekt. Ik kan het niet. De winst van Fortuyn verwart mij daarvoor te veel. Ik zal proberen uit te leggen waarom dat zo is.

In Pendrecht heeft meer dan 30% van de bevolking op hem gestemd. Onder deze stemmers zitten ongetwijfeld ook kerkmensen. De afgelopen jaren ben ik ze tegen gekomen. Bewoners van Pendrecht die het gevoel hadden volledig in de steek gelaten te zijn door de politiek. Ik zie hem opeens weer voor mij. Een vriendelijke oudere man, maar nu rood van woede en verdriet. Hij spreekt mij aan over de politiek van de regering. Hij verwijt ‘ze’ dat ze alleen maar op komen voor anderen. Wij zijn vergeten, terwijl wij de echte vluchtelingen zijn. In eigen land en stad moeten wij vluchten van de plaats waar we graag willen wonen. Ik wil hier blijven wonen, maar het is niet meer uit te houden. Stille vluchtelingen zijn wij, zo bijt hij mij toe, en niemand luistert naar ons. Hij zal wellicht op Fortuyn gestemd hebben.

Daarom, ik begrijp de opkomst van Fortuyn wel. Ik zie achter hem de velen die in Pendrecht de afgelopen jaren in machteloze woede de ontwikkelingen gezien hebben. De herinnering aan de inspraakavonden van de deelgemeente is nog vers. Daar zag je al aankomen wat op 6 maart gebeurde. De ingehouden woede tijdens die bijeenkomsten kreeg stem en een uitlaatklep. Omdat ik dat begrijp, kan ik een veroordeling niet over mijn lippen krijgen. Mijn gesprekspartner van hierboven en misschien u wel die dit leest, zouden zich opnieuw in de steek gelaten voelen.

Tijdens de verkiezingsavond spreek ik ook een lid van de Turkse gemeenschap in Pendrecht. Hij uit zijn bezorgdheid over de ontwikkelingen. Hij woont al 30 jaar in Nederland. Mag ik het land nog in als ik naar Turkije geweest ben, vraagt hij mij. Hij staat voor mij symbool voor al die ‘buitenlanders’ die de afgelopen jaren naar Nederland gekomen zijn. Vluchtelingen, maar ook economische migranten, Rijksgenoten en gelukzoekers. Zij zijn in onze samenleving een teken dat de wereld waarin wij leven op drift is. Miljoenen mensen zijn in beweging. Vroeger noemden we dat volksverhuizingen. Dat is er gaande. Het is een teken hoe ongelijk in de wereld de kansen verdeeld zijn om een bestaan op te bouwen. Ook hun woede begrijp ik, hoe pijn die ook soms doet.

In de kerk hebben we een discussie gehad over de voorkeursoptie van God voor de armen. Ontegenzeggelijk is dat waar, maar voor wie moet je dan in deze situatie kiezen? Dat verwart mij. Ik voel mij ongemakkelijk als begrip voor de boze man uit Pendrecht nee zeggen betekent tegen al die ‘vreemdelingen’ die hier letterlijk hun heil komen zoeken. Wie de nood in Afrika en in Roemenië gezien heeft, kan dat toch niet. Tegelijk weet ik ook dat ja zeggen hier, ook in Pendrecht, de samenleving ontwricht.

Ik laat mij niet tot een keus dwingen. Ondertussen blijf ik zoeken naar mogelijkheden om aan de ongelijke verdeling in de wereld, in dit land, in de stad en de deelgemeente iets te veranderen. Zonder al te grote illusies overigens. Ik weet dat er geen snelle oplossingen zijn. Kleine, heel kleine stapjes zijn mogelijk. Daar wil ik niet laatdunkend over doen, ook al kost het mij moeite om mijn scepsis te overwinnen. Een andere weg om uit mijn verwarring te komen zie ik evenwel niet.

At Polhuis