Kroniek april 2002
In een paar dagen is hij verdwenen, de flat aan de Stellendamstraat. Ik sta er bij als de slopersbal de muren beukt. Het behang van een woonkamer is plotseling de buitenmuur. Behang eens door trotse bewoners gekocht. Nog een slag van de slopersbal en het is weg. Voorgoed geschiedenis geworden. Een psalmvers komt in mij boven. ‘en haar plaats kent haar niet meer’. Als je omhoog kijkt zie je contouren van de flat aan de Sommelsdijkstraat. Daar komen mensen te wonen die in dit gedeelte van de wijk gewoond hebben. Voor velen van hen was het huis in de Herkingenbuurt het eerste echte huis waarin zij kwamen wonen. Verschillenden van hen heb ik de afgelopen maanden gesproken. De verhuizing betekent veel voor hen. Zo’n veertig jaar geleden kwam men in een nieuw huis terecht. Nu verhuizen zij en opnieuw komen zij in een nieuw huis. De vreugde daarover gaat met weemoed gepaard. Ik kan mij dat voorstellen. Ik realiseer mij dat nog eens te meer als ik de slopersbal de flat aan de Stellendamstraat zie slopen.
Zo af en toe ga ik met mijn kinderen nog wel eens naar de plaatsen waar we vroeger gewoond hebben. Ik wijs hen dan waar zij gespeeld hebben en waar hun vriendjes woonden. Ik heb ze ook laten zien waar ik zelf opgegroeid ben en hun opa en oma’s. Het is nostalgie, ik weet het, maar het geeft een bepaald gevoel als ik zie dat in de tree van de stenen portiek waar ik als jongen gewoond heb, nog altijd een gat zit. Daaraan herkende ik als kleine jongen de trap waar ik woonde. Deze huizen en omgeving behoren tot mijn geschiedenis.
Voor de kinderen van de Stellendamstraat is deze tocht terug in de tijd niet meer mogelijk. Als zij terugkomen vinden zij er niets meer dat aan hun jeugd herinnert. De mensen die in de flat aan de Sommelsdijkstraat wonen, kijken straks uit op een buurt die niet meer de hunne is. De geschiedenis waar zij deel van uit maakten, is verdwenen. Eerst verdwenen de kinderen uit de buurt, toen de winkels en nu hun huizen.
Ik snap wel waarom deze verandering van de buurt noodzakelijk is. De flats zijn moeilijk te verhuren. Als ze verhuurd worden, zijn de huurders vaak de zwakkeren op de woningmarkt. Voor de buurt en de voorzieningen in de buurt is dat niet goed. Al een eeuw lang wordt de strijd gevoerd tegen verpaupering in de buurten. Een al te eenzijdige samenstelling van de bevolking moet voorkomen worden. Daarom worden de flats gesloopt om plaats te maken voor duurdere nieuwbouw. Wie had dat in de jaren dat deze wijken gebouwd werden ooit gedacht.
Mijn ouders woonden in Amsterdam. Ook daar werden in de jaren 50 en 60 nieuwe wijken gebouwd als Pendrecht. Jaloers waren zij op de mensen die daar een huis konden krijgen. Dat waren de gelukkigen. Mijn ouders durfden de gok niet te wagen, omdat de huizen te duur voor hen waren. Dezelfde huizen worden nu ook in Amsterdam net als hier in Pendrecht in hoog tempo afgebroken. Om plaats te maken voor duurdere huizen.
De ontwikkeling kan wreed zijn. In nog geen mensenleven is een buurt afgeschreven. Ik heb het gevoel dat de huizen die er voor teruggebouwd worden niet veel langer zullen bestaan. Zo krijgt de woningbouw het zelfde wegwerpkarakter als veel andere consumptieartikelen. Repareren heeft geen zin, u kunt beter een nieuw kopen, dat wordt het motto. Ik begrijp het wel, maar als ik de verhalen hoor van de mensen die hier gewoond hebben, ben ik er niet gerust op. Zonder herinnering, zonder wortels kan een mens niet bestaan.
Ik kijk naar de slopers en maak een paar foto’s. Het is niet veel, maar op die manier blijft er nog iets bewaart van wat herinnert aan het verleden van al degenen die hier gewoond en geleefd hebben.
At Polhuis
