Website At Polhuis


Kroniek januari 2001

Het is deze maand tien jaar geleden dat het inloophuis ‘Het Verhaal’ opgericht werd. Dat wordt uiteraard gevierd. Voor veel mensen is ‘Het Verhaal’ in deze periode een vertrouwd adres geworden. Dat geldt voor de bezoekers, maar ook voor de vrijwilligers, waarvan er verschillenden de volle tien jaar meegemaakt hebben. Daar zal tijdens de feestelijke viering op 2 februari ook aandacht aanbesteed worden. In deze kroniek wil ik proberen aan te geven wat de kerk van de praktijk van de inloophuizen heeft geleerd of aan het leren is.

‘Het Verhaal’ is voortgekomen uit het ‘Conciliair proces’. In dat proces ging het om ‘gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping’. Kerken probeerden met dit programma uitdrukking te geven aan hun zorg voor degenen die in de marge van de samenleving terecht gekomen waren, voor de vrede en voor het milieu. In de inloophuizen stonden niet de belangen en de vragen van de kerk centraal, maar de zorgen en het verhaal van de bezoekers. Nu na tien jaar zijn we daar in de kerk wel wat aan gewend, maar het opzetten van een inloophuis betekende tien jaar geleden echt een trendbreuk. Waarom was dat zo en wat hebben we als kerk er van geleerd?

In een recente wetenschappelijke publicatie wordt aangegeven dat de praktijk van de inloophuizen een totaal nieuwe methode van werken heeft opgeleverd. Gangbaar is de methode dat een hulpverlener de hulpvraag van iemand probeert te verkennen en op te lossen. Als dat gebeurd is, houdt het contact tussen de hulpverlener en de hulpvrager op. In het artikel wordt de manier van werken in een inloophuis vergeleken met deze in de welzijnswereld gebruikelijke methode. Dat mag, als maar niet uit het oog verloren wordt dat de praktijk van inloophuizen vooral een uitdrukking probeerde te zijn van een pastorale benadering van mensen. Daarmee werd de praktijk van inloophuizen ook een kritiek op de manier waarop de kerken in hun huisbezoek mensen benaderden. Kort door de bocht geformuleerd, met een huisbezoek komt iemand van de kerk vragen hoe het gaat. Dan gaat het met name om de vraag hoe het gaat met het geestelijke/kerkelijke leven. Kortom het belang van de kerk, vertegenwoordigd door de huisbezoeker, gaat voorop. Het belang van het bezoek wordt gemeten aan de mate waarop iemand voldoet aan de verwachtingen die de kerk/de huisbezoeker heeft. Het bezoek is geslaagd als iemand goed past in de kerkelijke verwachtingen; het bezoek wordt minder waard als er alleen maar over andere zaken gesproken is. Op deze manier van werken richtte zich de praktijk van de inloophuizen. Niet de kerk en haar belang diende centraal te staan, maar de bezoeker met haar of zijn noden en vragen. De kerk en degenen die namens de kerk aanwezig waren, waren daaraan ondergeschikt.

Daarmee is het woord gevallen dat de methode van werken in een inloophuis goed typeert: aanwezig zijn. In het genoemde artikel wordt de methode de ‘presentie-benadering’ genoemd. Daar gaat het om: om het aanwezig zijn. Kenmerkend voor de vrijwilligers in inloophuizen is, dat ‘zij er zijn voor een ander zonder dat ze veel aan probleemoplossing doen’. Het aangaan van een contact met een ander is belangrijker dan het oplossen van de problemen van de betreffende persoon. In het artikel wordt in één alinea een portret van de vrijwilliger in het inloophuis geschetst. Ik geef het in zijn geheel weer. ‘De presentie-beoefenaren hebben de tijd, nemen de tijd en zorgen ervoor dat de beschikbare tijd ook ‘onbezet’ is, en dus niet is ingevuld met (geheime) plannetjes en professionele bedoelingen. Daardoor leren ze mensen grondiger kennen, kunnen ze ook veel onbevangener en dus beter waarnemen wat er eigenlijk speelt, betonen ze zich trouw en bouwen ze met de buurtbewoners een geschiedenis op. Door de betrokkenen wordt dat bijzonder gewaardeerd en het lijkt het erop dat het ook rendeert: presentie-beoefenaren weten veel van de buurtbewoners, kennen de ingangen en weten vaak ook heel goed wat wel en wat niet kan’.

Inloophuizen zijn vooral opgericht in sociaal zwakkere gebieden van de samenleving. Ze worden ook vaak bezocht door mensen in sociaal zwakke posities. Tegen deze achtergrond krijgt de presentie-aanpak nog veel meer kleur. Het is een poging geweest van kerken om mensen in hun situatie niet te betuttelen, niet van boven af te benaderen. Het is een poging naast mensen te gaan staan, hen serieus te nemen, hun verhaal te horen en daardoor sterker te maken. In inloophuizen werden en worden mensen die in de samenleving ‘sociaal overbodig’ zijn serieus genomen. Er worden geen eisen aan hen gesteld, maar ze mogen er zijn met hun verhaal. Met hun verhaal zijn zij de moeite waard. Dat is de boodschap die in deze manier van werken telkens uitgezonden wordt.

Op die manier probeerden ook de kerken van Pendrecht tien jaar geleden een bijdrage te leveren aan het doen van gerechtigheid. Tien jaar lang hebben vrijwilligers namens de kerken zich geoefend in het met geduld en onvoorwaardelijke aandacht voor de ander luisteren en aanwezig zijn. Daar mogen we als kerk best een beetje trots op zijn, op deze vrijwilligers in ‘Het Verhaal’. Het mag hen voldoening schenken dat zij door hun er-zijn in de afgelopen tien mede bijgedragen hebben aan het ontwikkelen van een methode van werken die voor de kerken van blijvende betekenis is.

At Polhuis

(In de kroniek wordt verwezen naar een artikel van prof. dr A. Baart, Raken aan het geleefde leven, inleiding in de presentie)