Website At Polhuis


Kroniek maart 2001

Op dit moment bezoeken vertegenwoordigers van onze gemeente onze partnergemeente in Roemenië. De bijna voor mij niet uit te spreken naam: Erdöszentgyörgy, heb ik de afgelopen maanden verschillende malen horen uitspreken. Het betekent, zo is mij verteld, St. Joris in het bos. Met deze gemeente onderhoudt onze gemeente al vele jaren een intensief contact. Elke zondagmorgen wordt de gemeente aan dit contact herinnerd door de gedenkpaal bij de ingang van zowel de Open Hof als de Julianakerk.

Twee maal per jaar gaan er leden van onze gemeente naar Roemenië. Elke keer weer is de spanning merkbaar bij degenen die gaan, ook als zij er al vele malen geweest zijn. Spanning over de reis, spanning over hoe de situatie daar zal zijn. Met bewondering zie ik de betrokkenheid van de leden van de werkgroep Roemenië. De situatie van onze partnergemeente gaat hen zichtbaar ter harte.

Mijn bewondering is er niet alleen om hun inzet elk jaar opnieuw fondsen te werven voor het werk dat door onze gemeente in onze partner gemeente ondersteund wordt. Daarover wordt door de Roemenië werkgroep regelmatig in het kerkblad geschreven. Voor de kerstpakketten voor de allerarmsten, het studiefonds en andere activiteiten wordt jaarlijks in het najaar in de kerken de Roemenië kist neergezet. De betrokkenheid van de gemeente blijkt uit de opbrengst van deze actie. Belangrijk werk, maar het belangrijkste werk dat de Roemenië werkgroep verricht, is minder zichtbaar.

Wie goed doet, verwacht bewust of onbewust de dank van degene aan wie goed gedaan wordt. Het is niet niets wat onze gemeente voor de partnergemeente doet. Overdreven hoeft de dank niet te zijn, maar een bescheiden blijk van waardering wordt op prijs gesteld. Uit mijn vroegere werk weet ik maar al te goed dat ontvangers van gaven heel goed weten dat zo’n dankwoord de donors mild stemt. Als men zich dankbaar opstelt, blijft de kans aanwezig dat de donor hem goedgunstig gestemd zal zijn. Anders wordt het wanneer de ontvanger de dank vergezeld doet gaan met kritiek op de gever. Dergelijke kritiek roept altijd veel emoties op bij de gevers.

In een brief uit oktober 2000 gaat de pastor van onze partnergemeente uitvoerig in op de ondersteuning door onze gemeente. Hij plaatst daarbij een paar kritische opmerkingen. Ik neem dat gedeelte uit zijn brief over: ‘Ondertussen heb ik geleerd dat uw opvatting (gezindheid) en onze conceptie zich van elkaar onderscheiden. Ik denk dat velen bij u geen idee van onze samenleving hebben. Wij vergissen ons het vlugst wanneer wij van onszelf uitgaande de ander proberen te begrijpen’. Met een voorbeeld probeert ds Gáspár deze stelling te verduidelijken. ‘Iemand had twee kostuums maar geen schoenen. Zo’n man heeft ook geen geld om een paar schoenen te kopen. Een welgesteld man besluit om deze arme te helpen en geeft hem nog een kostuum. De arme man heeft er nu nog een kostuum bij, maar hij zal nog steeds blootsvoets gaan omdat hij geen schoenen heeft. De rijke man zou het goed gedaan hebben indien hij in plaats van een kostuum een paar schoenen had gegeven, of het geld om die te kopen. Dat is de problematiek tussen onze en uw gemeente.’ De conclusie van ds Gáspár is duidelijk: ‘Als u ons jaarlijks met een bedrag aan geld kan helpen, zullen wij dat graag aannemen: maar laat het aan ons over om te beslissen waaraan wij het besteden.’

De kritiek van ds Gáspár is zeer de moeite waard. In feite stelt hij een vraag over de machtsverhouding in de relatie tussen onze gemeente en de gemeente te Erdöszentgyörgy. Dat is een serieuze vraag die we als gemeente niet naast ons neer kunnen leggen. Die vraag stelt ook onze gemeente voor een uitdaging. De relatie met onze partnergemeente is door de kritiek van ds Gáspár niet alleen maar een eenrichtingsverkeer. Als gemeente hier moeten we iets met die kritiek doen. De vraag die aan de orde is, hoe wij de ander kunnen dienen zonder dat daarbij macht een rol speelt. Hoe blijft in een situatie waarin de één afhankelijk lijkt te zijn van de ander, de onderlinge verhouding toch gelijk. Deze kritiek ter harte nemen betekent leren toegroeien naar Hem die niet gekomen is om te heersen maar om te dienen. Hoe moeilijk dat is, leren we als gemeente in de relatie met onze partnergemeente. Daarin gaat onze Roemenië werkgroep ons in de moeizame praktijk van alledag voor. Dat roept bij mij bewondering op.

At Polhuis