Website At Polhuis


Kroniek mei 2001

Het afgelopen jaar heb ik vele gesprekken gevoerd heb met bewoners van Pendrecht. Daaruit is een beeld ontstaan van de ‘gemiddelde’ bewoner van de wijk. Daaraan is deze kroniek gewijd. Nog even en deze ‘gemiddelde’ bewoner is er niet meer. Dat is misschien wel de grootste verandering van de afgelopen 10 jaar. De ‘gemiddelde’ wijkbewoner van Pendrecht is aan het verdwijnen. Hetzelfde geldt overigens ook voor Heijplaat. Wie bedoel ik dan? Het gaat om de blanke Nederlandse bewoner. Deze woont meer dan 30 jaar in de wijk, in veel gevallen komend vanuit een situatie van jarenlange inwoning. Dat heeft jarenlang het gevoel bepaald waarmee men in de wijk woonde. De ‘gemiddelde’ bewoner vond en vindt het prettig in de wijk te wonen. Zowel in huis als daarbuiten heeft hij veel geïnvesteerd. Hij voelde zich veilig in de buurt. Als er ergernis was, was dat vooral over het zwerfvuil op straat. Deze ‘gemiddelde’ bewoner is nu op leeftijd gekomen. De kinderen zijn de deur uit en wonen vaak buiten Rotterdam. Ze hebben een goede jeugd gehad in de wijk, maar begrijpen nu eigenlijk niet dat zij in zulke kleine huizen opgegroeid zijn. Hun onbegrip wordt door de ‘gemiddelde’ wijkbewoner weer niet begrepen. Nog altijd is de tevredenheid over de eigen woning aanwezig. Met enige argwaan worden de plannen voor renovatie of sloop bekeken.

Deze ‘gemiddelde’ wijkbewoner is aan het verdwijnen. Met enige verbijstering heeft hij de afgelopen jaren nieuwe bewoners de wijk zien binnen komen. Verbijstering niet omdat zij een andere kleur hadden of andere gewoonten. Daar is mee te leven. De ‘gemiddelde’ wijkbewoner merkte al snel dat de ‘nieuwe’ bewoners zich veel minder hielden aan de afspraken die in de loop der jaren ontstaan waren en waar ieder zich aan hield. Nieuwe bewoners hielden zich veel minder aan het rooster om portiek of trappenhuis schoon te houden. Nieuwe bewoners hielden zich niet aan de opvoedingstraditie van de ‘gemiddelde’ wijkbewoner. Dat begreep de ‘gemiddelde’ wijkbewoner niet, omdat naar zijn opvatting zijn opvoedingstraditie het meest in belang van het kind was. Was zijn kind immers niet door de strakke opvoeding opgeklommen tot advocaat, arts, dominee?

De meeste ergernis bij de ‘gemiddelde’ wijkbewoner over de ‘nieuwe’ wijkbewoner was misschien nog wel zijn onverschilligheid ten opzichte van de buurt en de huizen. De ‘gemiddelde’ wijkbewoner was trots op zijn wijk. Hij voelde zich Pendrechtenaar en deelde dat gevoel met de anderen. Hij voelde zich verantwoordelijk. Dat gevoel mist hij bij de ‘nieuwe’ bewoner. Deze hecht zich in zijn ogen niet aan de buurt. Woont er een paar jaar en vertrekt dan weer. De buurt is voor hem een soort gebruiksartikel. Niet hij, maar anderen moeten maar voor de openbare ruimte zorgen.

Deze verandering van buurt, die als een dorp bewoond werd, naar deel van de stad, waarvan anonimiteit en mobiliteit de kenmerken zijn, ondergaat de ‘gemiddelde’ bewoner met pijn en verdriet. Hij voelt zich alleen gelaten nu hij ouder wordt. Hij had gedacht in de wijk een rustige oude dag te hebben om dan daar te sterven en uit één van de kerken begraven te worden. Hij ziet evenwel andere ‘gemiddelde’ wijkbewoners om zich heen vertrekken. Zij hebben de strijd opgegeven en vertrekken naar de plaatsen waar hun kinderen wonen. Ze sporen de achterblijvers aan hetzelfde te doen. Op die manier stillen zij hun eigen geweten, want eigenlijk waren zij liever in de wijk gebleven. De ‘gemiddelde’ wijkbewoner ziet ook lege plekken om zich heen ontstaan, omdat buren en vrienden waarmee hij meer dan veertig jaar samengeleefd heeft, sterven.

De ‘gemiddelde’ wijkbewoner wil er nog niet aan toegeven om weg te gaan. Hij is blij als er in de wijk flats gebouwd worden waar hij zich in kan terug trekken. Daar voelt hij zich veilig en vindt hij nog iets terug van de sfeer die het wonen in de wijk altijd plezierig gemaakt heeft. Als hij vanaf zijn balkon over de wijk uitziet, schudt hij zijn hoofd.

At Polhuis