Kroniek december 2001
Langzaam loopt de zaal vol. Er is gekozen voor een opstelling als in het Lagerhuis. Aan de ene korte kant zitten de deskundigen, aan de andere kant de politieke verantwoordelijken. Ik ben aanwezig bij één van de openbare vergaderingen van de commissie wijkzaken van de deelgemeente. De leden van de commissie willen graag horen wat er in de wijk leeft en zo mogelijk in gesprek gaan met de bewoners over de voorstellen die vanuit de deelgemeente komen. Thema’s van deze bijeenkomst zijn het ouder worden in Pendrecht en Pendrecht in verandering.
De opzet is goed. Toch komt het gesprek niet goed van de grond. Bewoners hebben zich goed voorbereid. Zij klagen over de onveiligheid en geven daar treffende voorbeelden van. Het politie optreden wordt als veel te slap ervaren, als er al sprake is van optreden. De woningcorporatie krijgt er van langs. Met de klachten over de overlast wordt veel te weinig gedaan. De corporatie treedt niet op tegen mensen die er in de huizen een potje van maken door afgesproken gedragsregels aan hun laars te lappen. Ook hier zijn de voorbeelden talrijk.
Noch de aanwezige deskundigen, noch de politici kunnen de zaal overtuigen met hun argumenten of voornemens zaken aan te pakken. Jullie zijn jaren te laat, wordt er geroepen. Wij worden uit ons Rotterdam weggestuurd. Twee werelden aanraken elkaar zonder dat een ontmoeting tot stand komt. Dat blijft de hele middag zo.
Terwijl het gesprek dat maar geen gesprek wil worden doorgaat, kijk ik naar de mensen die gekomen zijn. Het zijn in meerderheid wat oudere bewoners. Jongeren zijn er niet bij. Ook nieuwkomers zijn niet gekomen. Het is de Pendrechtenaar die al lang in de wijk woont en zich bij de wijk betrokken voelt. Op dat moment fluistert mijn buurman mij in het oor ‘het is allemaal diep gewortelde frustratie’. Hij heeft gelijk. In toenemende mate is men vreemdeling geworden in de eigen wijk. Wat vroeger vanzelfsprekend was, is dat nu niet meer. De politici zijn niet meer ‘van ons’. Zij spreken een andere taal. De omgeving waarin men zich veilig voelde, is veranderd. Die verandering heeft zich voltrokken zonder dat men het gevoel had daar greep op te hebben. Het is ons overkomen. Voordat we het ons beseften, was de wijk al veranderd. Het dorp van vroeger is stad geworden. Het is een ontwikkeling die niet meer terug te draaien is.
Politici zitten er wat machteloos bij. Ik benijd hen niet. Alle frustratie en onvrede wordt op hen geprojecteerd. De verwachtingen dat zij er iets aan kunnen doen, zijn veel te hoog. De ontwikkelingen worden niet door hen bepaald. Het is eerder omgekeerd, de ontwikkelingen bepalen hen. Net als bewoners zijn zij door de snelle veranderingen overvallen. Zij kunnen proberen de veranderingen in zo goed mogelijke banen te leiden. Als zij naar de wijk kijken, zien zij een conglomeraat van alle mogelijke bewoners en leefstijlen. Waar moeten zij voor kiezen? Zij horen de ‘oude’ Pendrechtenaar, maar deze is voor hen één van de groepen die de wijk nu bewonen. Met zijn belangen en verlangen moet rekening gehouden worden, maar tegelijk met die van al die andere bewoners. Voor de ‘oude’ Pendrechtenaar is de wijk nog een begrip. Voor de nieuwkomers is dat veel minder het geval. Hier staat toevallig je huis. De waardering van je huis is totaal anders dan wat Pendrechtenaren gewend waren.
In die situatie nemen politici beslissingen, nu eens voor de een dan weer voor de ander kiezend, schipperend tussen de belangen. De gevolgen daarvan worden langzaam, voor velen te langzaam zichtbaar. Met de ‘oude’ Pendrechtenaar verdwijnt ook het oude Pendrecht langzaam maar zeker. Het is een ontwikkeling die niet te stoppen is, ook niet door politici.
At Polhuis
