Psalm 84
Eén ding is vanaf het begin van de psalm duidelijk. De dichter weet van de liefelijkheid van de woningen Gods, maar is er zelf niet. Hij verlangt en smacht er naar. Balsemstruiken zijn zijn omgeving. Zijn verblijfplaats zijn de tenten der goddeloosheid. Poëtische uitdrukking voor het leven buiten de God van Israël om; het leven in de wereld zoals wij die kennen. Daarin is maar bitter weinig te ervaren van de liefelijkheid van Zijn woningen.
De psalmist is een pelgrim. Waar hij naar uitziet, is te wonen in het huis van de Heer, al is het maar in de voorhoven ervan. Wie daar woont, is gelukkig. Daar klinkt de lof van de Heer. Zijn heerlijkheid is openbaar. We zien van aangezicht tot aangezicht. Niet alleen het eindpunt, maar ook de weg er naar toe is een feest van herkenning. Wie gedreven door het visioen op weg gaat, zijn weg zal reeds een teken van de liefelijkheid van de Heer zijn.
De psalmist sluit af met nog een zegenbede. Deze is voor ons bedoeld. Waarom zou je op weg gaan? Waarom zou het visioen waar zijn? De geschiedenis leert wel anders en ons leven bevestigt dikwijls dat gevoel. Waar is God? Is het wel waar van Zijn woningen? Op vertrouwen komt het aan, niet op zekerheid die gezien wordt. Wie niet vertrouwt, gaat niet op weg. Vertrouwen tegen de feiten in dat het waar is. Vertrouwen dat Hij er is. Dat is het moeilijkst. Vandaar dat de laatste zegenwens voor de mens is, die op God vertrouwt.
