Psalm 86
De situatie van de psalmist is niet eenvoudig. Zij staat onder grote druk. Geweldenaars staan tegen haar op. Nood leert bidden, maar het wordt wel moeilijk de lof van de Heer te blijven zingen als Zijn zwijgen voortduurt. Het is moeilijk de barmhartigheid van de Heer te loven als opnieuw het geweld uitbreekt of als je eigen leven afknapt. De psalmist houdt vol. Zij roept de Heer aan in haar verdrukking. Hij is lankmoedig, rijk aan goedertierenheid en trouw. Zien doet zij het niet. Haar geloof zet haar daartoe aan.
Niet een vaag gevoel van geloof doet de psalmist de Heer aanroepen. Niet het besef dat er wel ergens ‘iets’ is houdt de psalmdichter op de been. Het is een zeker weten. God heeft haar ziel gered uit het zeer diepe dodenrijk. Dat is de wortel van haar geloof. Deze reddende God heeft de mens door het dodenrijk heen getrokken. Niet de dood, maar Zijn leven is de toekomst van de mens. De dood is geen overwinnaar, heeft niet het laatste woord. Dat maakt deze God groot en machtig.
Op deze reddende daad van God beroept de psalmist zicht. Zoals U was, zo zult U ook nu zijn! Beschaam dat vertrouwen niet nu ik Uw weg lofzingend ga. Ook in de dreiging mag de lofzang klinken, ook als die dreiging er is juist omdat de lofzang gezongen wordt. Help mij deze lofzang te zingen. Stel mijn wachten op U niet te lang op de proef. Dan is wel duidelijk dat deze lofzang geen wereldvreemde jubel is. De lofzang die gezongen wordt, heeft de klank van een moeizame, maar met volharding volgehouden solidariteit met hen die lijden in onze wereld.
