Psalm 92
De psalm stelt ons voor een indringende vraag. Ongecompliceerd verheugt de dichter zich in zijn voorspoed. Het gaat hem goed. Er is alle reden God te danken, niet alleen voor zijn eigen voorspoed, maar ook omdat zijn vijanden te gronde zullen gaan. Dat zijn de daden van de Heer, waardoor de psalmist verheugd wordt. Hij jubelt over de werken uwer handen.
Dat dit gericht zich voltrekt, is niet zonder meer zichtbaar voor onze ogen. Wat wij zien is de voorspoed van de goddelozen en het geluk van de bedrijvers van alle ongerechtigheid. Het gericht is alleen met een ‘geloofsoog’ te zien. Het voltrekt zich, terwijl ogenschijnlijk de booswichten het nog voor het zeggen hebben. De gelovige weet wel beter. Hij ziet meer dan wat wij met de ogen waarnemen.
Een prachtig beeld, maar wie zijn de vijanden? Is dat Bush, die het klimaatverdrag niet wil uitvoeren, of toch de Russen, of Saddam Hoessein? Zijn het de Israëlische troepen die Palestijnse kampen beschieten of juist de Palestijnen die aanslagen plegen? Zijn het de dodelijke ziekten die ons bedreigen? De voor- of tegenstanders van abortus en euthanasie? Verkeerspiraten die het leven van anderen in gevaar brengen? Misschien zijn wij het zelf wel in onze laksheid? Nee, hoe ongecompliceerd de psalm lijkt, het meezingen ervan spreekt niet vanzelf.
