Website At Polhuis


Psalm 101

Het luistert nauw bij het verstaan van deze psalm. Het lijkt er op alsof de psalmdichter eem lofzang op zijn eigen handelen zingt. Zijn handel en wandel is zo zuiver, dat de Heer wel tot hem moet komen. De goede werken als voorwaarde voor de komst van de Heer. In de vraag klinkt dan de verbazing door dat het nog niet zo ver is. Als er zo gehandeld wordt als de psalmist doet, kan je er op wachten dat de Heer komt.

Zo is het niet. Zo is het nergens in de Heilige Schrift. De psalmist is als een bruid die weet dat de bruidegom komt. Hij kan er elk ogenblik zijn. Tot dat moment loopt zij zenuwachtig alles nog eens na of het wel goed zit. Als hij komt, wil zij er op haar mooist uit zien. Als hij komt, wil zij zijn bruid zijn. Zij beiden, samen inéén vloeiend.

Zo is de psalm een lid van de gemeente, die weet van haar Heer, die komt. In alles wil zij naar Hem toegroeien. Dat maakt haar tot een vreemde gestalte in de wereld. Hij die zij verwacht, is immers anders dan alles wat wij kennen. Zo gelezen, spoort de psalm ons aan ons handelen als gemeente en als gelovigen kritisch te bekijken. Verwijst dat naar de komst van de Heer? Is het een sieraad waarmee wij ons kunnen tooien als Hij tot ons komt? Om die vragen gaat het.