Website At Polhuis


Psalm 102

Wie de Heer ontmoet, zal toch wel van vreugde opspringen? Er is toch geen groter vreugde dan om Hem te kennen? Het tegendeel is het geval. De psalmist klaagt indringend zijn nood. Elke ontsnapping als zou het onheil komen van het onrecht dat hem door mensen aangedaan wordt, wordt onmogelijk gemaakt. Vanwege Uw toorn, Uw verbolgenheid; omdat Gij mij hebt opgenomen en neergeworpen. Daarom is er sprake van nood! Wie de Heer ontmoet, heeft zeer te vrezen. Wie zou niet wegvluchten van voor Zijn aangezicht?

Het wonderlijke is dat de psalmist dat niet doet. Wetend van het oordeel over zijn bestaan, blijft hij de Heer aanroepen. Hij heeft Hem herkend als de Eeuwige, de Schepper van hemel en aarde. Hij zal eeuwig bestaan. Aan Zijn jaren komt geen einde. Wie Hem de eer geven, behoren tot het volk dat Hij zal scheppen. Dat is een schepping uit de dood. Daar bidt de psalmist om. Opdat hij door de Heer, door het oordeel heen, zal behoren tot Zijn nieuw geschapen volk, dat Hem zal loven. Uit eigen kracht is hij daartoe niet in staat.

Wie zich beroemt op zichzelf of op zijn verrichtingen, heeft God nog niet ontmoet. Hij kent het gebed nog niet, dat gebeden wordt vanuit de nood die door de omtmoeting met de heilige God aan het licht komt. Ontmoeting met God zet ons in een crisis. Er is voor niemand een ontkomen aan. Precies dat was voor de Joden een aanstoot en voor de heidenen een dwaasheid. Gelukkig is hij of zij die deze weerstand te boven komt en met de psalmist dit gebed kan mee bidden.