Psalm 107
In de psalm wordt indringend het lot van de mens beschreven. Hij is op de verkeerde weg, bedriegt zich zelf, heeft de dood voor ogen en wordt bedreigd door natuurgeweld. Er is voor hem geen ontkomen aan. Zijn bestemming vindt hij niet. Gebonden is hij aan machten die hem in een ijzeren greep houden. De psalmist durft dit weinig vleiende beeld onder ogen te zien. Niet door zelfkennis is hij daartoe in staat. Hij zou het niet kunnen, net zo min als wij. Door wie dan wel?
Machtiger dan alles wat ons bedreigt, is de Heer. Hij deed hen treden op een effen weg. Hij voert hen uit diepe duisternis. Hij geneest. Hij maakt de storm tot een zacht suizen. Hij, ja Hij alleen. Hij is de Heer die omkeert wat ons bedreigt en wat voor ons onwrikbaar overeind staat. Hij brengt in ons leven een keer die voor ons ongedacht is. Wie Hem ontmoet, ziet de schamelheid van zijn bestaan en kan niet anders meer dan Hem in onze benauwdheid aanroepen.
De psalm is een loflied van de verlosten, van hen die uit de macht van de tegenstander verlost zijn. Zij verwachten de verlossing niet, in vrees en beven of die ooit komen zal. Zij zien op de verlossing terug als een feit en leven er van. Met hen kunnen wij in onze benauwdheid de psalm mee zingen en de Naam van de Heer loven. Wij weten immers van zijn daad waarin al Zijn daden van goedertierenheid samenvallen: Jezus Christus. Wie wijs is, slaat daar acht op.
