Psalm 110
Een psalm die ons in verwarring brengt. Dat is telkens het geval als over de toorn van de Heer gesproken wordt. We kunnen en zullen er nooit aan wennen. Want wat moeten we er mee als gezegd wordt, dat de Heer koningen verplettert en lijken ophoopt? Het is alles in schril contrast met ‘onze lieve Heer’. Het zou nog dragelijk zijn als het om een incident gaat, maar juist deze psalm wordt veelvuldig in het Nieuwe Testament aangehaald.
Aanstootgevend is de psalm ook omdat onze ervaring van zowel gelovigen als ongelovigen, nu juist het tegendeel is. Hield Hij maar gericht onder de goddelozen! Dan had inonze geschiedenis de namen van Auschwitz en Goulag niet zulke lugubere klank gehad. Niet de vijanden van God worden als een voetbank onder Zijn voeten gelegd. Integendeel, zij gebruiken Hem als voetveeg Niet de macht van God treft ons, maar juist Zijn machteloosheid.
We wennen er nooit aan. In het Nieuwe Testament wordt de toorn uitgebreid tot ons allen. Niemand uitgezonderd, behoort tot Zijn vijanden. In Zijn toorn valt Jezus voor ons allen. Dwaasheid is dat voor ons. Zoveel kennis en kunde telen voor God niet mee. Er gaapt een onoverbrugbare kloof tussen ons en Hem. Onze wereld is Zijn slagveld tot op de dag van vandaag. Nee, vanzelfsprekend is het niet om in deze strijd Zijn overwinning te vieren. Daar herinnert deze psalm ons indringend aan.
