Psalm 114
Niet lang geleden spraken teksten als deze psalm tot de kerkelijke verbeelding. Elke bevrijdingsdaad van onderdrukte volkeren en personen was een herhaling van de bevrijding van Israël uit de slavernij. In de menselijke zoektocht naar vrijheid werd het exodusverhaal tot een voorbeeld en stimulans. De arme en verdrukte werden tot synoniemen van Israël. Aan hun bevrijdingen verbond de Bevrijder/God zich. In hun strijd was Hij te kennen.
Deze psalm maant tot voorzichtigheid. Het gaat om bevrijding, maar toch anders dan wij kennen. De natuurbeelden duiden daarop. De aarde beeft. Graniet wordt tot water en een rots wordt een bron. Hier gebeurt iets dat niet past in onze menselijke maat. Hier wordt alles wat wij kennen op zijn kop gezet. Wat voor ons vast als een huis staat, valt om. Groter dan alles wat wij kunnen bevatten, meldt zich op de aarde.
Om deze bevrijding gaat het. Bevrijding uit wat vertrouwd is, bevrijding uit het bestaande, ons natuurlijk bestaan. Radicaler kan het niet. Dat is geen bevrijding die wij kunnen bewerkstelligen. Deze bevrijding van het bestaande is er omdat Hij zich in onze wereld meldt. Niet overal en dus nergens, maar in een concreet volk, in Israël. Dat maakt Hij tot Zijn heiligdom. Aan hem wordt Zijn aanwezigheid, die het bestaande doet springen, zichtbaar. Het heeft er mee geworsteld en er om geleden.Het lijdt er zelf aan, tot op de dag van vandaag.
