Psalm 115
De vraag van de heidenen herkennen we meer dan ons lief is. Zij brengt ons in verlegenheid. Het is ook onze eigen vraag. Wij kunnen niets aanwijzen op grond waarvan wij geloven. Wij kunnen niets of niemand aanwijzen in wie wij geloven. Er is niets tastbaars. Bij de heidenen is dat wel anders. Zij wijzen hun goden aan. Wij zouden niets liever willen en bezwijken dikwijls voor die verzoeking. Dan hebben we ook iets concreets en horen we die smalende vraag niet meer van de heidenen: Waar is toch hun God?
In de ogen van de heidenen zijn gelovigen a-theisten. Mensen zonder God. Hoewel in onze dagen de heidenen zich a-theist noemen, blijft de psalm actueel. De beelden zijn onzichtbaar geworden, maar zijn er nog wel. Zij worden onbarmhartig zichtbaar in het gedrag van hen die ze maakten. De mensen worden als de goden die zij maakten. Dat geldt voor heidenen en gelovigen. Ook wij kennen immers de behoefte naar zekerheid en houvast. Die zekerheid wordt ons in het geloof ontnomen. God is niet aan te wijzen. Niet wij, maar Hij zelf verschaft zich eer op aarde, Hij doet wat Hem behaagt.
Een gelovige wordt daarom gekenmerkt door vertrouwen. De Here God zal doen wat Hij gezegd heeft. De gelovige herinnert zich wat de Heer in het verleden gedaan heeft. Hij heeft gezegend. Op die herinnering is zijn hoop gegrond. Zoals God in het verleden gezegend heeft, zo zal Hij het ook in de toekomst doen. Meer dan dat heeft de gelovige niet. Dat is alles. Alleen daaraan houdt hij zich vast. Dat maakt hem ook in onze dagen tot de criticus van zichzelf en van allen die in goden geloven, of ze nu zichtbaar zijn of niet.
