Psalm 117
Wat helder is, kan met weinig woorden gezegd worden. In een paar verzen vat de psalmdichter de kern samen. Wij zijn geroepen de Heer te loven. Dan gaat het niet alleen om de gelovigen, maar om alle volkeren. Geloof is geen privé zaak. Het is de roeping van ieder, niet alleen van individuen, maar ook van de natiën. Ons privé handelen wordt aangesproken, maar ook ons publieke handelen. Voor de psalmdichter is er geen onderscheid tussen privé en publiek domein. De natiën worden opgeroepen Hem te prijzen, ook de Nederlandse.
Met een paar krachtige woorden onderbouwt de dichter zijn oproep. De Heer is goedertieren en trouw. Beide woorden drukken hetzelfde uit. Door ze beide te gebruiken wordt er extra nadruk gelegd op de trouw van de Heer. Uit alles wat Hij doet, blijkt Zijn trouw. Niet voor even, maar voor eeuwig. Daar hoeft geen enkele twijfel over te bestaan. Het verbond dat Hij met ons sloot, zal Hij nakomen. Hij staat daar letterlijk zelf borg voor.
Als dat bekend is, kan er ook geprezen worden door de volkeren en de natiën. De wereld is als Zijn schepping schouwplaats van Zijn verbond. Daarvan mag getuigd worden dwars tegen de zichtbare werkelijkheid van de feiten in. Gelovig in de wereld staan, is met verwachting leven, met vreugde elk spoortje van heil begroetend. De volken mogen opgeroepen worden deze barmhartige en trouwe God in woord en daad te loven. De gemeente roepe daartoe op!
