Psalm 118
De psalm is een loflied van iemand die de tempel binnentreedt en daar hartelijk begroet wordt. Het is een lied van verlossing, van triomf, van overwinningsbewustzijn. Aan de Here God wordt de lof gebracht. Hij is het die deze overwinning mogelijk gemaakt heeft. Deze uit de benauwdheid bevrijde is een teken van Gods goedertierenheid. Zo is God. Hij is goed. Looft Hem daarom.
Vreemd doet het aan als de zanger van deze psalm de benauwdheid waarin hij verkeerde en de dreigende omsingeling ook aan de Heer toeschrijft. Niet mijn vijand, maar de Heer heeft mij zwaar gekastijd. Tot op de rand van de dood heeft Hij mij gebracht. Zijn gang met de Heer is geen glorietocht. Zijn trouw aan de Heer betekent door een diep dal gaan. Er is verwerping en oordeel. Hij wordt niet verdragen
´Met deze door de volkerenwereld tot vallens toe nedergestotene, door God gekastijde en daarom ook door de mensen verachte, is het gegaan als met de steen uit het spreekwoord´. Hier voltrekt zich het grote wonder. Wat velen willen maar niet kunnen, gebeurt. Wie geen gelaat of heerlijkheid heeft in onze ogen, treedt statig binnen door de enge poort. Hij mag bij de Heer verkeren. Omwille van deze genade is de Heer te loven.
