Website At Polhuis


Psalm 119

De psalm heeft het karakter van een gebed. De persoonlijke vroomheid van de dichter wordt uitgedrukt in een reeks van niet altijd met elkaar samenhangende uitspraken. In deze vroomheid gaat het om de verhouding tot de wet. Deze wet is de samenvatting van alles. Uw gebod is onbegrensd (96). Het kent geen grenzen in de tijd en de ruime. Het is alles omvattend. Ieder is er aan onderworpen, niets kan zich er aan onttrekken.

Het lied wordt gezongen door iemand aan wie daarvoor de ogen geopend zijn. Vanuit zichzelf ziet hij het niet. Hij is metgezel geworden (63) van alle die de Heer vrezen. Hem heeft hij in de wet leren kennen. In de wet gaat het om het evangelie. Wie de het evangelie uit de wet haalt, maakt haar tot een lege huls. In de wet richt de Here God zijn orde op, die gericht is op de ons, op ons heil, ons eeuwige leven. Dat is de vreugde der wet.

Tegelijk spreekt de psalmist over oordeel (75) en weet hij dat levend gemaakt moet worden (149). De weet leeft hem de vreugde, maar tegelijk de vreze des Heren. Bij wie God leert kennen in Zijn wet, ontstaat ook ontzag in zijn hart. Hij weet dat hij voor zijn heil en toekomst alleen van Hem afhankelijk is. Het is één en al genade, waaraan wij van uit onszelf niets kunnen bijdragen. Onze vitaliteit wordt door de wet gebroken. Wie Hem kent, weet dat ook dat bij de lof van de wet hoort.