Psalm 125
De psalm zet stevig in. Wie op de Heer vertrouwd is onwankelbaar. Geen spoor van twijfel is er. Hier is alleen zekerheid, die overigens niet dat goede kenmerk van de gelovige is. De gelovige is onwankelbaar, omdat de Heer dat is. Aan Zijn belofte hoeft niet getwijfeld te worden. Hij is niet alleen vastbesloten tot goedertierenheid, Hij zal het ook doen. Wat er ook gebeurt. Niet voor niets komt in het eerste vers van deze psalm tot twee keer toe het woord eeuwig voor.
Als Hij onwankelbaar is en wij dat ook worden door op Hem te vertrouwen, wankel dan ook niet. Die oproep is nodig, want zo vanzelfsprekend is het niet. Wie acht slaat op wat er gebeurt, wordt niet vrolijk. Wat we zien is de scepter van het kwaad, die rust op het land. Zoveel is er van de onwankelbare God niet te zien en hand en spandiensten aan het kwaad zijn snel verricht. Wie durft het aan te zeggen, dat hij/zij nooit bezweken is?
Het derde deel van de psalm is een gebed. Een gebed van de rechtvaardige, die weet van de onwankelbaarheid van de Heer en dat daarom de scepter van het kwaad niet op het land zal rusten. Het is ook het gebed van de rechtvaardige die weet dat hij zelf voortdurend wankelt. Hij ziet het van zichzelf en hij ziet het van anderen om zich heen. In zijn gebed vraagt hij de onwankelbaar God voor de goeden goed te zijn en de onrecht pleger te verdrijven. Niet aan de bidder komt dat oordeel toe. Niet onze oordelen zijn hier geldig, maar alleen die van de Heer. Hij ziet ons aan. Hoe het gebed, ook wat onszelf betreft, verhoord wordt, moeten we maar afwachten.
