Psalm 126
Scharnierpunt in deze psalm is het vierde vers: de bede om omkeer in het barre lot. Het leven lijkt op een woestijn, waarin geen water meer te vinden is. Onleefbaar dus. In die situatie bevindt de psalmdichter zich. De werkwoordsvorm is de tegenwoordige tijd. Zijn bede is een uitdrukking van hoop. Er is geen sprake van berusting of aanpassing aan de druk, waarin geleefd wordt. Het feit alleen al dat de psalmdichter bidt is daar een uitdrukking van. Het ware gebed is daar altijd weer een uitdrukking van.
In zijn bede doet de psalmdichter een beroep op de eerder door de Here God aan Zijn volk verrichtte grote daden. Daarover wordt in de eerste verzen in de verleden tijd gesproken. Grote daden heeft de Heer aan Zijn volk verricht, die nu niet de spot maar juist de eerbied van de volkeren opriep. Er is een ommekeer tot stand gebracht, die alle verstand te boven gaat. Waar dood was, was leven. Slavernij werd tot vrijheid. Mensen hebben het niet tot stand gebracht en hebben het ook niet kunnen vasthouden. Opnieuw moeten de hulp van de Heer ingeroepen worden.
Dan neemt de psalm een verrassende wending. Er wordt niet gewacht of God de bede zal verhoren. Er wordt op vooruitgelopen. Er wordt van uitgegaan dat het zal gebeuren. Nu wordt in de toekomende tijd gesproken. Er is geen spoor van onzekerheid bij de dichter. Het had toch kunnen zijn, dat God zich afwendt van het volk dat Zijn ongekende omkeer liet verlopen; de bevrijding vergat en de dood verkoos boven het leven. Zo is het niet! De omkeer die God tot stand gebracht heeft, is niet ongedaan te maken. Die is voor het verleden, het heden en de toekomst bepalend.
