Psalm 127
De inzet van de psalm is duidelijk. We kunnen zwoegen wat we willen. We kunnen naar eer en geweten handelen. We kunnen veel bereiken met onze kennis en kunde. Het is allemaal war, maar als de Heer het huis niet bouwt, dan is alles tevergeefs. We kunnen Zijn rijk, Zijn toekomst, Zijn gemeente niet zelf bouwen. De zegen van de Heer is door alles wat wij doen niet af te dwingen.
Betekent dit nu, dat we maar beter kunnen ophouden? Is de psalm een oproep tot luiheid of moedeloosheid? Zo is de psalm wel verstaan, maar zo is het niet. Het zwoegen wordt niet verboden of in diskrediet gebracht. Hoe zou dat ook kunnen. Het hoort bij ons. Niets van waarde komt zonder gezwoeg tot stand. Het zal met Zijn koninkrijk en gemeente niet anders zijn. Ook dat vraagt zwoegen van ons.
In dit zwoegen en zorgen worden we aangesproken om ons te troosten en te bemoedigen. We zouden nog gaan geloven dat het van ons gezwoeg afhangt. Wie dat gelooft, wordt pas werkelijk moedeloos. Onze inspanning wordt gerelativeerd. Het is Gods willekeur die het doet. De keus van Zijn wil is bepalend. Wie dat weet, ontspant. Een vleugje zelfspot, waarin we onszelf wel, maar niet al te serieus nemen, omgeeft hem. In die ironie horen we dan lach Gods.
