Psalm 128
Een psalm waar niet ieder zich direct vertrouwd mee zal voelen. Daarvoor is de inhoud in onze ogen te rolbevestigend. De man is de aangesprokene, de actieve en de vrouw de passieve, tot eer van de man als zij vruchtbaar is. Zo spreken we toch niet meer over de verhouding tussen mannen en vrouwen. Daarom is de schijnbare verspreking in het eerste vers hoopvol. Daar wordt niet de man alleen aangesproken, maar ieder.
Voor ieder, man en vrouw, geldt dat ontzag voor de Heer geluk brengt. Wie ontzag heeft, gaat de weg van de Heer. Concreet betekent dat een leven in vrijheid, zonder afhankelijk te zijn van een ander. De opbrengst van jouw arbeid is voor jezelf bestemd. Je produceert niet een ander. Maatschappijkritiek in een notendop. Een vreemd woord in onze wereld, waarin de meesten van ons in dienst van een ander produceren.
De uitspraak heeft nog een kant, ook kritisch in onze oren. Je leeft van wat je werk opbrengt. Er is een rem op de ongebreidelde verrijking. Je hoort niet te leven ten koste van anderen, van wat anderen voortbrengen. ‘Je zult eten wat je werk opbrengt’. Het is een spreuk die in vele directiekamers aan de wand zou moeten hangen; ter bezinning en als wegwijzer naar geluk en voorspoed. In dit opzicht is het toch ook weer niet zo gek als niet de vrouw maar de man als eerste aangesproken wordt.
