Psalm 130
Hoe diep de diepte is van waaruit deze psalm geroepen is, is voor ons van uit onszelf niet te peilen. Het is altijd dieper dan zelfs de diepste diepte die wij kennen. Wij kennen de toppen en de dalen van ons leven, die kunnen hoog of diep zijn. Het is niet de diepte van waaruit deze psalm geroepen is. De dieptepunten van ons bestaan zijn hooguit een aanduiding, een verwijzing naar deze diepte. De diepte waarnaar hier verwezen wordt, slaat zelfs de allerlaatste bodem onder ons bestaan weg. Dan rest alleen nog maar de roep om genade.
Hoe diep de diepte is, wordt ons openbaar als we de Here God leren kennen, en alleen dan! Wie zijn grootheid heeft leren kennen, die van andere aard is dan alles wat we groot noemen, ziet de diepte van zijn eigen bestaan. Niet wij als mensen redden het en scheppen een toekomst. Dat is alleen aan Hem voorbehouden. Hij schept de toekomst omdat Hij de toekomst is. Voor deze toekomst zijn we geheel en al van Hem afhankelijk. Hij zal Israƫl bevrijden.
Wie zo door het openbaar worden van de Here God doordrongen geraakt is van de diepste nood van zijn bestaan, kan toch alleen maar vrezen? Wat zijn wij voor God anders dan tegenstrevers. En zo is het ook! Wie ons troost en ons vanuit onze diepte doet roepen, is de Here God zelf. Hij doet het vreemde en verrassende. Hij verwerpt niet, Hij vergeeft. Dat is het eerste dat we zien als Hij zich in zijn grootheid aan ons openbaart.
