Website At Polhuis


Psalm 131

Een psalm van een intense vroomheid. De mens is tot zwijgen gebracht. Het geloof blijkt niet uit de daden die we doen. Het kenmerk van het geloof is het stil worden. Niet langer mengen we ons in het gesprek. Niet langer menen we een gewaardeerde bijdrage te kunnen leveren. Dat doen we het liefst. We menen dat de wereld niet zonder ons kan en dat haar toekomst van ons afhangt. Wat zijn we belangrijk en wat voelen we ons groot. De psalm staat haaks op dat pogen en pochen.

De stilte die de psalmist gevonden heeft, is niet zonder strijd tot stand gekomen. Het is geen inwonende eigenschap van hem waar rustelozen onder ons jaloers op kunnen worden. In de palm spreekt een mens zoals wij. Een mens die grote dingen gezocht heeft; er is hoog door hem gegrepen. We kunnen er ons eigen pogen in horen onszelf rust, zekerheid en toekomst te verschaffen. Dat is de oerdrift die ons voortjaagt. Het verlangen naar een betere wereld, naar vrede en gerechtigheid. Die drift kunnen we niet stoppen. Wie dat denkt, overschat zichzelf opnieuw.

Toch zingt de psalmist dat zijn ziel tot rust gebracht is. De reden daarvoor bezingt hij in het laatste vers. Hij hoopt op de Heer. Hij weet dat zijn toekomst, zijn leven en dat van de wereld niet van Hem, maar van de Heer komt. Wij leveren daaraan geen bijdrage. Dat brengt hem tot rust, niet om nu voortaan maar lijdelijk af te wachten. Hij trekt zich niet uit de wereld terug. Haar toekomst blijft voor hem een zorg, maar zijn handelen wordt niet langer gekenmerkt door de onrust. De zekerheid, dat Hij er in zal voorzien, brengt hem tot rust.