Terug naar de kern
De situatie van de kerk in de grote stad is zó alarmerend slecht dat het roer drastisch moet worden omgegooid. ‘Wie niet het gevoel van urgentie heeft, is ongeschikt leiding te geven’, schrijft dr. At Polhuis, voorzitter van de kerkenraad Algemene Zaken in Rotterdam-Zuid. De voorheen ‘linkse’ broeder, jarenlang actief in het oudewijkenpastoraat, pleit nu hartstochtelijk voor evangelisatie en gemeenteopbouw. Want de kurk waar het diaconaal-maatschappelijk werk op drijft, dreigt tot niets te worden gereduceerd.
In het tijdschrift ‘Kontekstueel’ schrijft u: ‘De stadsgemeente waaraan ik nu verbonden ben zal menselijkerwijs over tien jaar ophouden te bestaan. En zij zal de eerste zijn van een lange reeks.’Zo dramatisch is het dus.
Inderdaad. Ik onderstreep nog even ‘menselijkerwijs’. Ik kijk vooral naar de demografische ontwikkeling en dan moet je constateren dat we eigenlijk aan de laatste generatie ouderen bezig zijn. Er wordt vaak sussend gezegd dat de kerk in de stad altijd voornamelijk uit ouderen heeft bestaan. Dat klopt, maar er is nu één fundamenteel verschil. Na de huidige generatie 65+-ers houdt het op. In de leeftijdscategorie daaronder slinkt het aantal belijdende leden drastisch. Zijn er nu naar verhouding boven de 65 jaar nog 100 belijdende leden, over een aantal jaar zijn dat er zo’n 10. Het laatste reservoir hebben we opgebruikt.’
En daarna?
‘Als er niet iets radicaal verandert, houdt het op. In Rotterdam-Zuid zijn er zes wijkgemeenten. Je kunt zien aankomen dat binnen een jaar de eerste met sluiting wordt bedreigd, over drie jaar volgt de tweede en binnen een jaar of acht doet de laatste het licht uit.’
Je zou verwachten dat uw collega’s in de stad én de landelijke beleidsmakers hier moord en brand bij schreeuwen.
‘Er wordt tot mijn grote verbazing tamelijk laconiek op gereageerd. Vergelijk dat eens met de manier waarop er in het bedrijfsleven, bij Philips of Ahold, wordt gereageerd, als de zaak terugloopt. Dan ontstaat bij het management een gevoel van urgentie: er móet iets gebeuren. In de kerk mis ik dat. Dat komt enerzijds door de gedachte dat het zo’n vaart niet zal lopen. Aan de andere kant speelt dit mee: De kerk is verbonden met instituties die in de jaren zeventig zijn ontstaan, en die ingingen op de vragen die tóen leefden. Daar gaat veel kerkgeld en energie naar toe. Maar daardoor ontbreekt de ruimte, ook financieel, voor de vragen waar we nu voor staan.’
De kerk moet zich terugtrekken op haar kerntaak van de kerk, schrijft u. Samen luisteren naar de Schrift.
‘Ja, alle aandacht moet naar gemeenteopbouw. De stad wordt armer, jonger en ‘zwarter’ en de religieuze kaart verandert. Een groot deel van de stad wordt op geen enkele wijze meer door de kerk bereikt. We doen er ook nauwelijks pogingen toe. Het is van groot belang om als kerk de brug naar die groepen te slaan. Doen we dat niet, dan zal het actuele stadsdebat over een aantal jaren uitsluitend worden bepaald door de islam. Eigenlijk zie je dat nu al gebeuren. Hoe wordt er over God gesproken? Wat is de rol van de godsdienst in de stad? Hoe ga je om met de scheiding tussen kerk en staat? Als we over God spreken, dan hebben we vanuit de christelijke traditie, vanuit het getuigenis van profeten en apostelen een belangrijke kritische bijdrage aan te leveren. Daar ligt één van de fronten waar de kerk zich vandaag mee bezig dient te houden. De bijdrage die vanuit de christelijke traditie geleverd kan worden, wordt marginaal. Dat is niet goed. Vandaar mijn pleidooi: Kerk, pak die uitdaging, zorg dat er opnieuw zendelingen in de stad komen, die met elan werken aan de opbouw van de kerk, het bereiken van mensen, om weer vitale gemeenten te vormen.’
U gebruikte net de term ‘gemeenteopbouw’; eigenlijk beoogt u evangelisatie.
‘Ja. Ik aarzel altijd bij ‘evangelisatie’, omdat die term in de geschiedenis een bepaalde kleur en invulling heeft gekregen. Ondanks mijn aarzelingen, bedoel ik uiteindelijk wel hetzelfde. We moeten opnieuw gaan evangeliseren. Dat appèl doe ik óók op degenen met wie ik mij in de kerk verwant voel - ik heb altijd aan de linkerkant van de kerk gewerkt. Als wíj het niet doen, moeten we ook niet mopperen op andere groeperingen die het wél, op hún manier, doen.
Ik ben zelf altijd actief geweest in de maatschappelijke vragen waar de kerk mee geconfronteerd wordt. Aanvankelijk was dat het oude-wijken-pastoraat, en tot op vandaag ben ik betrokken bij stadsvernieuwingsvraagstukken. Daar ligt absoluut een taak voor de kerk. Maar ik besef dat ik het nu nog kán doen omdat ik een uitvalsbasis heb, namelijk de gemeente. Ik blijf dromen van een rechtvaardige stad, maar dan moet je natuurlijk wel mensen overhouden die die droom dromen. Als de kerk wegvalt, dan valt daarmee ook de droom weg. Dan houdt mijn werk en dat van anderen op.’
Terug naar de kern: het samen luisteren naar de Schrift. Zo’n oer-reformatorisch pleidooi verwacht je niet van een predikant die z’n hele leven het vuur uit de sloffen heeft gelopen voor maatschappelijke actie.
‘Het is wel zo dat ik van meet af aan door Karl Barth ben beïnvloed, maar laat ik eerlijk zijn: ik kom uit de jaren zeventig. We hebben heel lang de verbinding gelegd tussen het revolutionair elan in de samenleving en het evangelie. We herkenden God in de beweging van de armen. Nu het revolutionair elan wat is weggesijpeld, moet je je heroriënteren - daarin heb ik de afgelopen jaren wel een ontwikkeling doorgemaakt. Ik ben opnieuw geconfronteerd met de vraag: Waar gaat het om? Dan ga je de Schrift lezen en dan blijkt dat de Schrift zich ook kritisch verhoudt tot het revolutionair elan.’
Destijds werd het goed recht van de diaconaal-maatschappelijke actie verdedigd vanuit de gedachte: het nodigste eerst, de rest - het samen lezen van de Schrift, etc. - komt dan wel.
‘Dat is ook zo. Veel van het oudewijkenpastoraat is ontstaan vanuit een zendings- en evangelisatietraditie. Na dertig jaar moet je vaststellen dat het onmiskenbaar zaken heeft opgeleverd die we diaconaal zullen moeten blijven verwerken. Tegelijk staan we voor de vraag of we niet opnieuw moeten bijsturen.’
Omdat de evangelische drijfveer is ondergesneeuwd?
‘Dat wil ik niet zeggen. De keuze is destijds geweest - mijns inziens terecht - dat je je laat gezeggen door de beweging van armen zelf. Vanuit de gedachte dat God tot ons spreekt in de beweging van de armen. Je moest daarin ondergaan. Het was lange tijd een discussie of je je dominee moest noemen. Nee, zeiden sommigen, je moet ‘onzichtbaar’ worden. Dat ging zelfs zo ver dat je als kerk helemaal geen eigen ruimte mocht hebben, want dan had je toch nog bezit waar je op kon terugvallen.
Ik blijf opkomen voor de inzet en het engagement van toen. Dat herken ik nog altijd bij mezelf. De aandacht voor armen en achtergestelde groepen blijft uitermate belangrijk. Dat hangt rechtstreeks samen met het getuigenis, met het lezen van de Schrift - waarin je wordt gescherpt in de vragen van gerechtigheid en shalom. Dáárom is het zo belangrijk dat er in de stad geloofsgemeenschappen blijven bestaan die over die gerechtigheid blijven nadenken en spreken. Er zit geen tegenstelling in; de zaken liggen in elkaars verlengde. Juist vanuit mijn drive voor gerechtigheid, pleit ik voor het behoud van kerken.’
Nog even terug naar dat lezen van de Schrift. Dat veronderstelt ook een bepaalde kijk op de Schrift. Namelijk een gezaghebbend Woord, waaruit we richting krijgen gewezen voor ons leven, ook in de stad. Hoe verhoudt zich dat met de kerk zoals die er nu is, de gemeente die u nu leidt? Maakt die zomaar die beweging van u mee?
‘Een ding is zeker: de gemeente smelt snel weg, als er niets gebeurt. Gelukkig zijn er nog kernen waar de Schrift wordt gelezen. Het gezag van de Schrift hoef ik uiteindelijk niet waar te maken. Dat is mijn ervaring als predikant: het gezag dringt zich op een gegeven moment op. Als het gaat over de God die anders is dan andere goden; het appèl dat van Hem uitgaat. Ik blijft het een uitdaging vinden om het getuigenis van profeten en apostelen met mensen te lezen, om hen daarvoor te interesseren, opdat ze erover gaan praten. Dat zal geen makkelijke klus zijn! Verwacht ook niet dat we daar weer hele volle kerken mee krijgen. Maar het is absoluut noodzakelijk dat die bijdrage voor de stad behouden blijft.’
U schrijft: De eerste en voorlopig ook enige prioriteit hoort te liggen in de kerk en gemeenteopbouw. Het overeind houden van het instituut kerk. Ook al betekent dat het afstoten of grondig afslanken van allerlei maatschappelijke en andere activiteiten. Dat kunt u toch niet anders dan met veel hartzeer opschrijven?
‘Is ook zo. Hartzeer, maar het engagement is er niet minder om. Er is een niet onaanzienlijke geldstroom die vanuit de landelijke kerk en de plaatselijke overheid naar het kerkenwerk in de stad toestroomt. Dat gaat voor een groot deel naar diaconaal-maatschappelijke activiteiten, die zijn ontstaan in de jaren zeventig. Hét voorbeeld in Rotterdam is de Pauluskerk van Hans Visser; voortreffelijk werk. Mijn pleidooi is aan de (landelijke) kerk is: Kijk wat je doet met je geld. Zou je, lettend op de acute nood van de kerk in de stad, de geldstromen niet moeten verleggen, zodat we opnieuw aan het fundament kunnen werken?
Vergelijk het weer met Philips. Toen het concern in de problemen kwam, besloot het management zich terug te trekken op de divisie ‘licht’. Andere divisies werden afgestoten. Daar zou de kerk voorbeeld aan moeten nemen. We stoten taken af, niet omdat we die slecht vinden, maar willen we overleven moeten we eerst het meest noodzakelijke doen. Later, als we weer sterker zijn, kunnen we nieuwe zaken oppakken. De landelijke kerk zal daar goed over moeten nadenken. Misschien moet ze wel zeggen: er komen binnenkort een paar kerken leeg, wij kopen een kerk, en stellen één of meer missionair werkers aan die daar helemaal van de grond af aan opnieuw beginnen, met concrete doelstellingen. Niet in eerste instantie maatschappelijk, maar op terrein van gemeenteopbouw, om een brug te slaan naar grote groepen die we niet bereiken. Noem het ‘kerstenen’, ja. Niets op tegen.’
Daarbij krijgt u allerlei groepen in het vizier die ik ook niet direct zou associëren met uw verleden. Bijvoorbeeld Youth for Christ.
‘Daar moet ik zelf ook nog regelmatig aan wennen. Ik krijg contact met groepen waarvan ik het bestaan niet eens wist. Dat geeft wel eens spraakverwarringen. Zo besprak ik met een evangelische voorganger van een migrantengemeenschap wat we zouden kunnen doen voor groepen Antilliaanse jongeren in de wijk. Hij vond het wel interessant, maar hij schoof wat op z’n stoel en zei: ‘Ik heb ook nog een vraag aan u. Zaterdag hebben wij een evangelisatiecampagne in winkelcentrum Zuidplein. Mijn target is tien bekeerlingen.’ Hij vroeg of ik met hem op de zeepkist wilde. Toen zat ík wat te schuiven op mijn stoel. Dat illustreert de kloof die je soms ervaart. Maar ontegenzeggelijk zijn er bondgenootschappen mogelijk, die ik ook zelf niet voor mogelijk gehouden heb. Youth for Christ is hier wél de groep die hier jongeren bereikt. Ze spreken mijn taal niet, maar waarom zou ik niet met hen in zee gaan? Ik kan van hen leren en hopelijk zij wat van mij.’
Koos van Noppen
Centraal Weekblad, 2005, nr. 2
