Website At Polhuis



Op zoek naar Barth

Zoals meer deze zomer was het die dag zeer warm. We reden vanuit Zuid Duitsland richting Safenwil. Op weg naar de pastorie waar Barth de 1e Römerbrief schreef. Zullen we die dag de enigen in Europa zijn die deze bestemming hebben, vroegen mijn vrouw en ik ons af. Enige scepsis is op zijn plaats. Een paar dagen daarvoor hadden we Bazel bezocht. Op allerhartelijkste wijze hadden Hinrich en Elisabeth Stoevesandt ons langs de woonplaatsen van Barth geleid. Alleen een pleintje in de buurt van de huizen waar hij na zijn terugkomst uit Duitsland gewoond heeft, herinneren aan deze grote inwoner. Het draagt zijn naam: Karl Barthplatz. Dat is alles. Lopend op het plein van de universiteit waar Barth gedoceerd heeft, vertelt Stoevesandt dat Barth ook op de universiteit nog nauwelijks gelezen wordt. De zaal waar hij gedoceerd heeft, kunnen we niet bezoeken. Deze wordt verbouwd.

In Safenwil is het niet veel anders. De kerk is grondig verbouwd en de pastorie is een kerkelijk wijkcentrum geworden. De huidige dominee ontvangt ons vriendelijk. Nee, de Römerbrief heeft hij niet gelezen. Dat hoeft ook niet. Toen hij beroepen werd, werd niet gevraagd of hij de theologie van Karl Barth was toegedaan. Hij bevestigde wat Stoevesandt ons verteld had. In zijn gemeente is er nog een enkeling die uit eigen herinnering de naam van Barth iets zegt. Meer dan de Römerbrief heeft de onrust die Barth door zijn sociale stelling nemen veroorzaakte herinneringen in het dorp nagelaten.

In de voormalige pastorie is de oorspronkelijke studeerkamer zo veel mogelijk in takt gelaten. We krijgen alle tijd alles in ons op te nemen. Hier begon het dus. Op de schrijftafel ligt een fotokopie van een pagina uit de Römerbrief. De pijp die er bij lag, is een aantal jaren geleden door souvenirjagers meegenomen. Wel staat er de wieg waarin hij gelegen heeft. In een kastje ligt een oud aktetasje. In dat tasje heeft wellicht de beroemde Tambacherrede gezeten. Daarnaast staat een paar schoenen. Het is het laatste paar dat Barth gedragen heeft, kort, maar toch. Ik kan de verleiding niet weerstaan. Een kort moment letterlijk in zijn schoenen staan. Tot mijn voldoening passen de schoenen. Barth blijkt net zo kleine voetmaat te hebben als ik.

Onder de indruk schrijf ik wat in het gastenboek. Tot mijn verrassing blijken er wekelijks mensen deze plaats te bezoeken. Ook deze dag waren wij niet de enigen zoals we dachten. Een Waldenzer collega was deze dag met zijn vrouw ook naar Safenwil gekomen. Helemaal vergeten is hij dus niet.

Ondanks de hitte hadden we ons voorgenomen dezelfde wandeling te maken die Barth wekelijks maakte: naar Leutwil. Onze gastheer helpt ons uit de droom. Het is niet bekend welke route Barth en Thurneysen liepen. Hij heeft ook zo zijn bedenkingen bij de uitlatingen van Barth in zijn brieven dat hij er twee en half uur over deed. Dat is praktisch bijna onmogelijk, ook als hij stevig doorgelopen had. Hij wijst ons hoe wij het beste rijden kunnen. Met de auto duurt de tocht ruim een half uur. In Leutwil herinnert de in steen gehakte predikantenlijst in het portaal van de kerk aan Thurneysen. De kerk is verbouwd en de pastorie afgebroken.

Een paar dagen later rijden we naar Göttingen. Inclusief een stevige file doen we er bijna een dag over. Vanuit Basel is het meer dan 600 kilometer. Als je in de biografieën leest over zijn benoeming in Göttingen leest, realiseer je je niet wat voor een geweldige ingreep dat geweest moet zijn. In Safenwil hadden we de foto’s gezien van Nelly Barth en de drie jonge kinderen die daar geboren zijn. We beseffen dat deze benoeming ook voor haar een enorme inzet gevraagd heeft. Nu rijden we over de snelweg. Begin 1920 was daar geen sprake van. We vragen ons af hoe zij gereisd hebben en hoe lang zij er over gedaan hebben. Wetend wat het is om met kleine kinderen te verhuizen, krijgen we respect voor Barths vrouw. Hoe heeft zij, ver van haar bekenden, de draad weer kunnen oppakken? Hoe heeft hij haar daarin gesteund?

Zo zijn er meer vragen. Het huis waar zij in Göttingen woonden is groot. Is het gehuurd, gekocht en zo ja door wie? Was het eigendom van de Universiteit? Op de gevel herinnert een gedenksteen aan deze periode: Karl Barth, theologe, 1921-1925. Hij is in 1976 ter viering van zijn 90e geboortedag geplaatst.

Uiteraard zijn we ook nieuwsgierig waar Barth in Göttingen college gegeven heeft. Na enig zoeken vinden we de theologische faculteit. Nieuwbouw, daar kan het dus niet geweest zijn. Binnen word ik te woord gestaan door een medewerker van de bibliotheek. Het is er druk. Er is een zomercursus aan de gang. De namen van de inleiders zeggen mij niets. Voor mij onbekende theologen. Datzelfde geldt ook voor de bibliotheekmedewerkster, maar nu betreft het de naam van Barth. Nee, die naam zegt haar niets. Wanneer heeft hij dan in Göttingen gewerkt? Als ik de jaartallen noem, antwoordt zij opgelucht dat dat al lang geleden is. Nee, waar de vroegere theologische faculteit geweest is, weet zij ook niet. Zij zal het aan de bibliothecaris vragen. Na verloop van tijd komt zij terug. Nee, het is niet bekend. Zij verwijst mij naar het wondermiddel van deze tijd: internet. Ik moet daar de namen van Barth en Göttingen maar intikken, adviseert zij mij. Ik doe nog een poging. Misschien kent zij de naam van Eberhard Busch, maar nee ook dat roept geen herkenning op. Om uit deze wat ongemakkelijke situatie te komen, adviseert zij mij ten slotte om het ook nog eens in de Universiteitsbibliotheek te vragen. Daar hebben we meer succes. Niet dat de namen van Barth of Busch iets oproepen, maar de medewerker weet wel waar de theologische faculteit geweest is. Hij wijst ons de weg. Het gebouw is nu in gebruik als studentenhuis. Op weg er naar toe, lopen we nog even een grote boekwinkel binnen. Daar vinden we één titel van Barth en een nieuw boekje van Busch over de geloofsbelijdenis.

Wat een verschil als we later ook Eisleben en Wittenberg aandoen. Overal Luther, de Luther apotheek, de Luther boekhandel enz. Zijn geboortehuis is zoveel mogelijk in de oude staat teruggebracht. We zien zijn sterfkamer en het schilderij dat van de stervende Luther gemaakt is, omringd met vrienden. Mijn gedachten gaan terug naar de Bruderholzallee. Stoevesandt vertelt dat het hem dikwijls overkomen is dat toen hij er woonde Amerikanen aanbelden. Zij waren vooral geïnteresseerd in de kamer waar Karl Barth stierf. Nu is die kamer de werkkamer van Hans-Anton Drewes, die het Barth archief beheert. Van het oorspronkelijke meubilair is weinig over. Nu weet ik wel dat de persoonverheerlijking niet bij Barth past en dat hij ook niet zo maar met Luther vergeleken kan worden, maar toch het contrast is wel erg groot. Het is jammer dat er veel verloren gegaan is.

Het huis aan de Bruderholzallee is aanzienlijk kleiner dan ik gedacht had. De studeerkamer van Barth is niet groot. Daarnaast de kamer waar Charlotte von Kirschbaum werkte. Ook zij woonde in het huis en later ook Stoevesandt en zijn vrouw. Gemengde gevoelens komen bij mij boven als ik er aan denk hoe zij daar met elkaar geleefd hebben.

Aan het eind van de dag nemen de Stoevesandts ons mee naar het graf van Barth. We zijn er stil van. Het raakt ons als we zijn naam lezen. Het raakt ons ook als we op de steen onder de naam van Barths vrouw en zoon ook die van Charlotte lezen. In hetzelfde huis en ook in hetzelfde graf. Stoevesandt kan mij niet zeggen of Barth dat zelf zo bepaald heeft. Het moet in ieder geval met medeweten en instemming van Nelly Barth geweest zijn. Zij overleefde haar man en Charlotte. Zo werd tijdens deze reis het respect voor Barth bevestigd en groeide dat voor zijn vrouw. Over Charlotte is een boek geschreven, naar mijn weten niet over Nelly Barth. Het zou de moeite waard zijn, denk ik.

At Polhuis

In de Waagschaal, 18 oktober 2003, nieuwe jaar gang 32, nr. 32