Website At Polhuis



KD, par. 1

Inleiding

§ 1 De opdracht van de dogmatiek

Dogmatiek is als theologische discipline het wetenschappelijke zelfonderzoek van de christelijke kerk met betrekking tot (met het oog op) de inhoud van het voor haar specifieke spreken van (over) God.

1.

Direct op de eerste pagina van zijn dogmatiek formuleert Barth haar opdracht. De dogmatiek heeft tot taak het spreken van de kerk over (van) God te critiseren en te corrigeren. Daarmee is van meet af aan de dogmatiek haar plaats gewezen. Voorop gaat het spreken van de kerk. Daarmee begint Barth zijn dogmatiek. De kerk belijdt God door van Hem te spreken. Gelovigen spreken van Hem; de kerk doet dat door de prediking en de bediening van de sacramenten. Dit spreken van (over) God is het wezen van de kerk. In haar spreken getuigt de kerk van en verkondigt zij God in Zijn genadige toewending tot de mens. Deze toewending heeft vorm gekregen in Jezus Christus. Hem heeft de kerk te verkondigen. Indien zij dat doet, is zij kerk.

De kerk die zich van haar verantwoordelijkheid bewust is, weet dat haar spreken altijd een menselijk spreken van God is. Onverantwoordelijk is de gedachte dat het spreken van de kerk zonder meer gelijk zou zijn aan dat van God zelf. Het spreken van de kerk van God is een aangevochten spreken, afhankelijk van de genade of God het als Zijn spreken opneemt. Dit neemt niet weg dat het de opdracht van de kerk is voortdurend te onderzoeken of haar spreken van God komt en naar God toeleidt en in hoeverre het overeenstemt met het spreken van God; kortom of haar spreken met haar wezen, d.i. Jezus Christus overeenstemt. Aan dit criterium dient het spreken van de kerk gemeten te worden. Alleen dan is haar spreken van(over) God waar te noemen. Het spreken van de kerk en de gelovigen dient voortdurend gecritiseerd en gecorrigeerd te worden.

Met deze opening is de toon gezet. In de dogmatiek wordt niet het spreken van God in het algemeen onderzocht. Het gaat om het spreken van de kerk van/over God. Theologie is een functie van de kerk en binnen de theologie is de dogmatiek een aparte discipline. Dogmatiek is voor Barth kerkelijke dogmatiek.

In de dogmatiek wordt het spreken van de kerk op zijn inhoud onderzocht. De dogmatiek heeft dan met name de opdracht te onderzoeken of het spreken van de kerk met het spreken van God, concreet met Jezus Christus overeenstemt. Dogmatiek formuleert de juiste inhoud van het spreken van de kerk. Deze juiste inhoud noemt Barth het ‘Dogma’. Aan het ‘dogma’ wordt het actuele spreken van de kerk gemeten.

Het kerkelijke karakter van de dogmatiek komt niet op mindering op het kritische karakter van de dogmatiek. De kerk die zich van haar verantwoordelijkheid bewust is, zoekt geen bevestiging van haar spreken. Het gaat haar om kritiek en correctie. De dogmatiek dient wetenschappelijk van aard te zijn.

Dogmatiek is naar de opvatting van Barth wetenschappelijk als naar inhoud en methode gewerkt wordt in overeensteming met de zaak waar het in de dogmatiek om gaat: de kritiek en correctie van het spreken van de kerk gemeten aan haar Wezen: Jezus Christus. Het begrip ‘wetenschap’ moet, gelet op de moderne invulling daarvan, in de theologie met terughoudendheid gebruikt worden. In de theologie is geen enkele reden aan te voeren op grond waarvan theologie noodzakelijk als aparte wetenschap genoemd moet worden. Ook is het niet mogelijk dwingend te bewijzen dat theologie wetenschap is.

De Openbaring van God is de toewending van God tot mensen in de totaliteit van hun bestaan. Het gaat in de Openbaring niet om een bijzonder terrein bij de mens, afgebakend van andere levensterreinen. In dat geval zou een aparte wetenschap die zich met dit bijzondere onderzoeksgebied bezighoudt, noodzakelijk zijn. Dat nu is niet het geval. Juist omdat Openbaring zich tot de totale mens richt, is het principieel mogelijk dat ook andere wetenschapsterreinen het spreken van de kerk op zijn overeenstemming met Jezus Christus onderzoeken. Als andere wetenschappen zo binnen de ruimte van de kerk werken, is theologie als aparte wetenschap overbodig.

De praktijk is dat andere wetenschappen het spreken van de kerk inderdaad kritiseren. Zij doen dat vanuit hun eigen vooronderstellingen en niet vanuit het met dat spreken gegeven criterium. Zolang dat het geval is, is theologie als aparte wetenschap een noodmaatregel van de kerk. De noodzaak daarvoor is aan de feiten ontleend.

Ook voor de pretentie wetenschap te zijn conform de thans geldende wetenschapsopvatting heeft de theologie geen dwingende redenen. De theologie heeft geen betere wetenschapstheorie dan de bestaande wetenschap, noch is de theologie uit op goedkeuring door de huidige wetenschap. Op dit punt is juist enige afstand geboden. Aanpassing aan het heersende wetenschapsbegrip betekent een zich onderwerpen aan criteria aan deze theorie ontleend. De theologie vervreemdt zich dan van haar eigen criterium en methode. De theologie kan haar wetenschappelijkheid alleen maar bewijzen door in overeenstemming met haar opdracht te werken.

Als een eigen plaats van de dogmatiek te midden van de wetenschappen, ja zelfs het wetenschappelijke karakter van de dogmatiek niet dwingend aangetoond kan worden, waarom hecht Barth er dan toch aan dogmatiek wetenschap te noemen? Barth erkent dat het voor de kerk principieel geen vraag van levensbelang is of de theologie, inclusief de dogmatiek wetenschap genoemd wordt. Er is wel een praktisch belang waarom deze benaming van belang is. Hij voert daarvoor drie argumenten aan.

Door dogmatiek wetenschappelijk te noemen drukt de kerk haar solidariteit uit met alle andere menselijke pogingen waarheid te vinden. Zij houdt zich daarbij net als andere wetenschappen bezig met een concreet onderwerp, volgt daarbij een een eigen aan het onderwerp ontleende methode en legt daarover verantwoording af. Dogmatiek als wetenschap is als tweede een protest tegen een wetenschapsopvatting, die zogenaamd waardenvrij en dus a-religieus is. Naast de huidige wetenschapsopvatting zijn andere opvattingen mogelijk. Het derde argument gaat uit van de eerder verdedigde stelling dat de Openbaring in principe de prikkel voor elke wetenschap kan of behoort te zijn. Dat dat in de praktijk voor hen niet het geval is, is geen reden voor de kerk zich uit het wetenschappenlijke debat terug te trekken. Een eigen gebied voor de theologie betekent dat de wetenschap door de theologie in een ivoren toren aan zichzelf overgelaten wordt. De kerk zou dan aan het heidendom meer geloof hechten dan aan de vergeving der zonden. Het gesprek met de andere wetenschappen wordt dus door de kerk gezocht. Vandaar dat zij hecht aan theologie als wetenschap.

2 a.

In de dogmatiek als wetenschap wordt het spreken van de kerk op zijn overeenstemming met Jezus Christus onderzocht, wordt getracht te formuleren wanneer op de juiste wijze over Hem gesproken wordt. Dit betekent dat uiteindelijk alleen Jezus Christus zelf kan bepalen of het spreken van de kerk in overeenstemming met Hem is. Hij is de maat waaraan het spreken gemeten wordt. Dogmatiek kan alleen haar opdracht vervullen als zij kennis heeft van Jezus Christus, m.a.w. dat zij in staat is de juiste inhoud van het spreken van de kerk te kennen. Als dat het geval is, is dogmatiek als onderzoek van het spreken van de kerk mogelijk. Alleen dan zijn er door de dogmatiek ware uitspraken te doen.

Barth stelt nu dat de dogmatiek inderdaad zulke ware uitspraken kan doen. De juiste inhoud van het kerkelijke spreken over (van) God kan door haar vastgesteld worden. Aan de kerk is immers het criterium van haar spreken gegeven: Jezus Christus. De dogmatiek hoeft dus niet te zoeken naar een criterium, noch er één uit te vinden of zelf te formuleren. In Jezus Christus heeft God zich tot de mens gewend. De mens is in staat Hem te kennen. Deze waarheid kennende, kan de dogmatiek het kerkelijke spreken critiseren en corrigeren, kan de dogmatiek de juiste en dus ware inhoud van het kerkelijke spreken vast stellen. Het gaat dan niet om een menselijke waarheid, maar om goddelijke waarheid.

Daarbij moet wel bedacht worden dat het spreken van God en dat van de dogmatiek nooit identiek zijn. Het spreken van God blijft vrij. Mensen kunnen er niet over beschikken. Menselijk spreken, ook als het goddelijke waarheid uitspreekt, blijft onder de kritiek van zijn eigen onderwerp: God staan. Zekerheid kan de dogmatiek niet bieden. De dogmatische uitspraken blijven uitspraken over God in het geloof gedaan.

2 b.

Dogmatiek als onderzoek is mogelijk omdat zij in staat is het criterium van het spreken van de kerk te kennen: Jezus Christus. De juiste inhoud van het kerkelijke spreken kan geformuleerd worden. Dat is waar, maar het formuleren van deze inhoud is een voortdurende aktiviteit van de dogmatiek. Dogmatisch onderzoek is niet alleen mogelijk, het is ook noodzakelijk.

De dogmatiek kent de maat waarmee zij het spreken van de kerk meet, maar zij kent deze maat uitsluitend in een menselijke vorm. Directe kennis van God heeft de dogmatiek niet. De juiste inhoud van het kerkelijke spreken is nooit als gegeven beschikbaar. Het ‘Dogma’ moet telkens opnieuw geformuleerd worden. De waarheid die de dogmatiek wil uitspreken is telkens een waarheid die met het oog op de Waarheid opnieuw onder woorden gebracht moet worden. Er is geen sprake van dat dogmatiek een triomfantelijke bezigheid is, uitspraken doend die voltooid zijn. Dogmatiek is theologia crucis, telkens opnieuw formulerend waar het op aan komt, wat het christelijke spreken in het heden mag en moet zijn. Dit spreken bassert zich op de Heilige Schrift, gebruik makend van eerdere in dogma’s neergelegde kennis.

Barth neemt hiermee afstand van dogmatiek als uiteenzetting van het geloof op basis van in dogma’s vastgelegde geloofswaarheden. Als dogma’s zo opgevat worden, wordt het onderscheid tussen het goddelijke spreken en het menselijke spreken opgeheven. De vrijheid Gods wordt dan niet gerespecteerd. Ditzelfde geldt ook voor de toepassing van het bijbelse getuigenis. Het bijbelse getuigenis is voor de kerk wel bepalend voor haar spreken over God, maar het is uiteindelijk God zelf die het spreken van de kerk bepaalt. Daarom vraagt de kerk in elke tijd opnieuw wat zij zelf op grond van het getuigenis van de profeten en apostelen te zeggen heeft.

3.

Dogmatiek is als menselijke arbeid in geloof mogelijk en noodzakelijk. Deze arbeid moet nauwgezet in gehoorzaamheid aan de roeping door Jezus Christus verricht worden. Vooronderstelling van deze arbeid is het geloof van de kerk. God heeft zich in Zijn vrijheid tot ons mensen gericht en daarom is dogmatiek mogelijk. Uitspraken over God mogen gewaagd worden. Tegelijk moet daarbij bedacht worden dat het telkens gaat om uitspraken in geloof gedaan. Hoe zorgvuldig de dogmatiek ook te werk gaat, rekening houdend met het geloof dat haar arbeid mogelijk maakt, in gehoorzaamheid aan de roeping door Jezus Christus, nimmer kan zij de pretentie hebben dat haar kritiek en correctie ook werkelijke kritiek en correctie is.

Het geloof wordt nooit tot een bezit van de mens, een gegeven waarvan uit te gaan is. Het geloof is een gave. Van geloof kan gesproken worden als het God behaagt in het handelen van een mens tegenwoordig te zijn. Voor de dogmatiek betekent dit dat het aan God is of Hij present is in de uitspraken die gedaan worden. Zo werkt de dogmatiek aan haar opdracht, komend van de belofte dat God aanwezig is, in de verwachting en hoop dat Hij aanwezig zal zijn. Dan wordt haar arbeid, waarin de juiste inhoud van het christelijke spreken onder woorden gebracht wordt, gezegend en geheiligd.

De houding waarin deze afhankelijkheid het best tot uitdrukking komt, is het gebed. In het gebed wordt tot uitdrukking gebracht dat de mens het heil niet van zich zelf verwacht. Daarom is het gebed de menselijke grondhouding waarin dogmatische arbeid mogelijk is.