Website At Polhuis



KD, par. 2

§ 2 De opdracht van de prolegomena tot de dogmatiek

Prolegomena tot de dogmatiek noemen wij het inleidende deel van de dogmatiek, waarin verantwoording afgelegd wordt over de bijzondere kennisweg die in de dogmatiek gegaan wordt (over de specifieke dogmatische methode kennis te verwerven)

1.

Prolegomena van een wetenschap zijn beschouwingen waarin aangegeven wordt welke uitgangspunten en methoden gevolgd zijn om tot kennis te komen en waarom deze methoden gebruikt zijn. Door inzicht daarin te geven kan beoordeeld worden of de kennis die de betreffende wetenschap oplevert betrouwbaar en verifieerbaar is. Ook de dogmatiek als wetenschap kent zo’n methode van werken die bij haar onderwerp hoort.

Hoewel het gangbaar is dat van het gekozen uitgangspunt en de gevolgde methode verantwoording afgelegd wordt, is het niet niet strikt noodzakelijk. Wat de dogmatiek betreft, is het heel goed mogelijk dat bij de bespreking van de juiste inhoud van het kerkelijke spreken – het Dogma – duidelijk wordt hoe tot die kennis gekomen is. Prolegomena kunnen dan achterwege bleven. Het niet opnemen van Prolegomena kan evenwel ook duiden op een zekere arrogantie. In elke tijd zal opnieuw de vraag aan de orde moeten zijn of de situatie van de kerk het uitwerken van Prolegomena nodig maakt. Zo’n situatie is volgens Barth thans aan de orde.

Gewoonlijk wijst men dan op de moeilijk positie die de kerk in de moderne tijd heeft. De kerk leeft in een door het verstand/rede bepaalde tijd. Geloof is daarin niet vanzelfsprekend. Voordat over de inhoud van het geloof gesproken kan worden is het noodzakelijk dat het geloof voor de moderne mens aanvaardbaar gemaakt wordt. De kloof tussen verstand en geloof moet overbrugd worden door het aanwijzen van een aanknopingpunt tussen beiden. Als dat gevonden is, kan de taal van het geloof ook voor de moderne mens verstaanbaar gemaakt worden. De opgave van de Prolegemena wordt dan het vinden en aanwijzen van zo’n aanknopingspunt.

Voor Barth is deze situatie van de kerk in de moderne tijd evenwel geen noodzaak prolegomena te schrijven. Hij geeft daar drie argumenten voor: een historisch, een inhoudelijk en een methodisch.

a. De situatie van de kerk nu is principieel niet anders dan in eerdere eeuwen. De confrontatie tussen de Openbaring waarin in de kerk geloofd wordt en de rede der mensen is in elke tijd het probleem waarmee de kerk en de dogmatiek in het bijzonder te maken heeft. De Openbaring is immers niet een verbijzondering van een algemeen kenbaar begrip van openbaring. Als dat het geval was, zouden prolegomena noodzakelijk zijn in een tijd waarin openbaring in het algemeen niet meer gekend wordt.

b. Het christelijke geloof aanvaardbaar te maken voor ‘moderne’ mensen door het zoeken naar een aankopingspunt leidt af van de opdracht die de dogmatiek heeft. Deze vraagstelling leidt niet tot kennis van de Openbaring. Prolegomena op deze wijze opgevat zoeken een antwoord op de vraag hoe menselijke kennis van de openbaring mogelijk is. Deze menselijke kennis leidt dan tot een mogelijkheid inzicht te krijgen in de godddelijke openbaring. De dogmatiek is dan op vreemd terrein. Immers, in de dogmatiek als functie van de kerk wordt de werkelijkheid van de Openbaring verondersteld. De vraag van de Prolegomena van de dogmatiek is hoe werkelijke kennis van deze Openbaring te verkrijgen is.

c. De methode om de weerstand van de rede te doorbreken door begrip te vragen voor het geloof is en kan niet effectief zijn. Het leidt tot teleurstelling bij de gesprekspartner als blijkt dat het geloof en het ongeloof toch geen gemeenschappelijk basis hebben. In de pogingen de kloof te overbruggen is de kerk slechts schijnbaar bij de ander. In die uitzonderlijke gevallen waarin de ander zich laat overtuigen wordt de daarop volgende dogmatiek tot een alleen voor ingewijden begrijpelijke leer. Wanneer anderzijds de kerk daadwerkelijk bij de ander in zijn ongeloof is, verlaat de kerk onvermijdelijk haar eigen opdracht. De eigenlijke dogmatische vragen komen niet aan de orde. Het gesprek blijft bij de voor-vragen steken. Effectieve apologetiek en polemiek onstaat als het ware vanzelf als in de dogmatiek de in Openbaring gegeven Godskennis verhelderd wordt.

De noodzaak Prolegomena van de dogmatiek te schrijven is voor Barth niet deze van buiten af komende vragen aan geloof en kerk. De enige aanleiding om expliciet verantwoording af te leggen over de weg die in de dogmatiek gegaan wordt, is de situatie in de kerk zelf. Zo’n situatie is er als er in de kerk geen overeenstemming over het wezen van de kerk: Jezus Christus. Strikt geredeneerd is deze mogelijkheid een onmogelijkheid. In de praktijk blijkt evenwel binnen de kerk op verschillende manier over het kunnen kennen van Jezus gedacht te worden. Barth noemt deze mogelijkheid het paradoxe factum van de heresie. Het gaat om ketterijen binnen de kerk die binnen de kerk niet kunnen bestaan. Juist omdat Jezus Christus de norm is waaraan het spreken van de kerk gemeten wordt, is het van belang helderheid over deze norm te hebben. Om deze reden zijn prolegomena noodzakelijk.

In de Prolegomena zal Barth uiteenzetten welk uitgangspunt in de dogmatiek voor de evangelische theologie geldig is en op welke wijze dat uitgangspunt de methode van het dogmatische onderzoek om kennis te verwerven bepaalt. Deze verheldering is met het oog op de dogmatische opdracht van de kerk noodzakelijk.

De heresien die Barth op het oog heeft zijn het Rooms Katholicisme en het theologische denken dat zijn wortels heeft in de middeleeuwse mystiek en de Verlichting: het moderne denken. In beide gevallen gaat het om varianten binnen de christelijke traditie. Tegelijk gaat het in beide om mogelijkheden binnen de kerk die op gespannen voet staan met de evangelische theologie zoals Barth die verstaat.

2.
De bezinning op de bij de evangelische dogmatiek behorende methode is noodzakelijk, maar hoe is die bezinning mogelijk? Vanuit welk punt start deze bezinning? Wat maakt die bezinning mogelijk? Voor Barth is dat het vrije spreken en het gehoord worden van Jezus Christus in het hier en nu van het moment. Alleen daardoor zijn dogmatische prolegomena mogelijk.

Met deze keus worden twee in de theologie gangbare en telkens terugkerende opvattingen afgewezen. In het ene geval wordt uitgegaan van de werkelijkheid zoals wij die kunnen kennen. Binnen deze werkelijkheid met zijn vele mogelijkheden is het geloof één van die mogelijkheden. In de prolegomena gaat het er om deze mogelijkheid te onderzoeken. Dat kan door een onderzoek van het zijnde of van de mens (ontologie en/of antropologie). In het andere geval wordt niet gezocht naar de mogelijkheid van het geloof, maar uitgegaan van de werkelijkheid daarvan. In onze werkelijkheid is het goddelijke aanwezig. Daarvan kan in de dogmatische bezinning uitgegaan worden. In de prolegomena wordt deze werkelijkheid benoemd en beschreven.

Barth moet deze opvattingen afwijzen. Het zijn mogelijkheden die binnen de evangelische theologie onmogelijk zijn. In beide gevallen wordt de vrijheid van het spreken Gods beperkt. In het eerste geval komt de vrijheid van God als met en in zichzelf beginnende werkelijkheid in het gedrang. In de tweede opvatting is die vrijheid er wel, maar wordt deze achteraf door een menselijke instantie bewaakt en dus beperkt. Genade wordt van persoonlijke toewending tot een blijvende toestand. God blijft geen Heer van zijn eigen vrijheid.

In de moderne door de Verlichting beïnvloede dogmatiek is het uitgangspunt voor de dogmatische bezinning de ontologie. Daarmee wordt het Bestaande bedoeld dat door de rede kenbaar is. Theologische bezinning en de kerk maken deel uit van een algemeen door alle mensen gedeeld Zijn. Theologie is daarvan een deel. Voor de dogmatische kennis betekent dit dat de in het grote, algemene Zijn geldende en verworven kennis op de theologie toegepast wordt. Het gaat om een verbijzondering van algemeen geldende kennis. In de praktijk betekent dit dat uitspraken over het menselijke bestaan uit de metapysika, antropologie, filosofie met de dogmatische bezinning verbonden worden. Vanuit de kennis van de mens weten we van zijn hang naar religie. In de godsdienstwetenschap wordt zijn vroomheid bestudeerd. De op deze manier verworven kennis geldt dan als opstap naar de dogmatische kennis. De dogmatische kennis is dan een verbijzondering van deze algemeen verworven kennis. In deze opvatting gaat het in de dogmatische prolegomena om het in kaart brengen van deze algemene kennis van de vroomheid van mensen.
In Rooms-katholieke traditie geldt als het uitgangspunt voor de dogmatische bezinning de werkelijkheid van de goddelijke Openbaring en het daarmee in overeenstemming zijnde bovennatuurlijke geloof. De Openbaring heeft in de kerk vorm gekregen in onze werkelijkheid. Genade is natuur geworden; het handelen van God gaat op in het handelen van de mens aan wie de genade deelachtig geworden is. In onze werkelijkheid is een goddelijke aanwezigheid te localiseren. De kerk en haar leergezag wordt dan het criterium voor de uitleg van de Openbaring. In de prolegomena wordt het gezag van de kerk uiteengezet.

Met afwijzen van beide mogelijkheden wordt ook de mogelijkheid van prolegomena in feite onmogelijk. Zowel bij de ene, als bij de andere mogelijkheid zijn prolegomena beschouwingen die vooraf gaan aan het eigenlijke dogmatische werk. Van daaruit is de kennisweg die in de dogmatiek gegaan wordt bekend. In de evangelische theologie is dat principieel onmogelijk. Er is geen zekerheid vooraf te geven. Jezus Christus beslist over de juiste inhoud van het christelijke spreken én over de juiste manier waarop kennis van deze inhoud verkregen wordt. Van te voren is dat niet vast te stellen. Ook op dit punt wordt de poging door mensen gewaagd met de verwachting dat de Heer zijn belofte aanwezig te zijn, zal houden. Prolegomena behoren dan ook fundamenteel tot de dogmatiek. Al gaande de weg van het geloof wordt verantwoording afgelegd over de manier waarop tot kennis van het geloof gekomen wordt. Binnen de dogmatiek is dat het eerste dat aan de orde dient te komen. Dan kan vastgesteld worden hoe betrouwbaar de in de dogmatiek gegeven inhoud van het geloof is.

Prolegomena van de evangelische theologie kunnen dan ook niets anders zijn dan een onderzoek naar de betrouwbaarheid van het spreken van de kerk aangaande God, scherper gezegd: het spreken van de kerk als spreken van God. Alleen als dit spreken een spreken van God is, is de inhoud van dat spreken betrouwbare kennis aangaande God, waaraan de inhoud van het spreken van de kerk te meten is. Het levert ook kennis op op welke wijze die kennis te verkrijgen is. Het spreken van de kerk aangaande God zal derhalve met het oog op deze pretentie gekritiseerd en gecorrigeerd moeten worden. Aangegeven zal moeten worden wanneer het spreken van de kerk aangaande God spreken van God is.

Dat is het geval wanneer het kerkelijke spreken van God het van te voren door God zelf tot de kerk gesproken woord weerspiegelt.

Daarmee is de opdracht van de prolegomena gegeven. In de prolegomena gaat het om de beschrijving van het Woord van God waaraan het spreken van de kerk zowel naar vorm als inhoud gemeten wordt. Dit Woord van God is het criterium van de dogmatiek. In de prolegomena ligt dan het accent op het feit ‘dat’ Hij spreekt, in de andere delen van de dogmatiek op het ‘wat’ Hij spreekt. Anders gezegd, in de prolegomena komt het formele aspect van het Dogma aan de orde: de formele overeenstemming van spreken van de kerk met het spreken Gods, in de andere delen van de dogmatiek de inhoud van het Dogma: de inhoudelijk overeenstemming van het spreken van de kerk met het spreken Gods.